De Bovenbazen (73)

Hij leunde verslagen tegen het hek en zuchtte diep.

‘Mijn carrière is heen,’ vervolgde hij met zwakke stem. ‘Alles wat me overblijft is het aannemen van enkele commissariaten en directeursposten. Hij heeft me gebroken!’

Tom Poes wierp een blik vol deernis op de beklagenswaardige en knikte. ‘Ja,’ zei hij. ‘obb is keihard en berekenend. Daar kan ik van meepraten, hoor. Vriendelijk als hij je nodig heeft, maar als je hebt afgedaan laat hij je vallen. Ik geloof niet dat hij gevoel heeft.’

‘Het is droevig dat er zulke lieden rondlopen,’ hernam de secretaris bewogen.

‘Maar wat kunnen we doen? Een glasharde als obb heeft alles en wij minvermogenden hebben niets. Het is slecht verdeeld op de wereld.’

‘Dat is het,’ gaf Tom Poes toe. ‘Maar misschien weet ik iets! Kom binnen, meneer Steenbreek.’

‘Als ik maar niet zo overgevoelig was,’ sprak heer Bommel tot zichzelf. Hij was naar de bank gegaan om Kwetals futvoeder veilig op te bergen – en nu stond hij tussen de stalen kluizen. ‘Alleen,’ hernam hij, ‘onbeschermd in een keiharde wereld. Vrienden heb ik niet meer. Als alles goed gaat is iedereen aardig, maar wanneer het tegenloopt is er niemand te vinden. Ik ken echter mijn plicht – en die zal ik tot het laatste toe vervullen; zoals mijn goede vader mij geleerd heeft.’

Met deze woorden trad hij op de deur toe die zijn privé bovenbaaskluis afsloot en begon aan het wiel te draaien.