Verdrietig, en trots op zilver

Teun de Nooijer had graag met goud afscheid genomen. Maar het boegbeeld van het Nederlandse hockey is trots op de prestaties en prijst de talenten in het team.

Londen. Nog één keer draaide Teun de Nooijer zich om in de Riverbank Arena van Londen. Toen stapte hij voor de allerlaatste keer als hockeyinternational van het veld. Dus toch weer zilver, in zijn vierde olympische finale.

Het boegbeeld van het Nederlandse hockey had in zijn 453ste en laatste interland zo graag nog één gouden plak willen toevoegen aan de unieke collectie die hij begon in Atlanta (1996, goud) en gestaag uitbreidde in Sydney (2000, goud) en Athene (2004, zilver). „Het is ongelooflijk zuur, omdat ik op de mooiste manier had willen afsluiten”, zei De Nooijer (36) na de nederlaag in de finale tegen Duitsland (2-1). „Enerzijds ben ik verdrietig dat het afgelopen is, anderzijds ben ik ongelooflijk trots op wat we met elkaar hebben neergezet. Dat Nederland weer staat waar het hoort te staan, in de olympische finale.”

Trots overheerste zaterdag in het Nederlandse kamp, hoewel de mannen van bondscoach Paul van Ass er niet in waren geslaagd een unieke olympische dubbelslag te behalen, na de titel van de vrouwen vrijdag. „We hebben een goed toernooi gespeeld”, zei aanvoerder Floris Evers. „Ik ben trots op de jonge spelers. Ik heb ze gezegd dat ze het moeten doen bij de volgende Spelen, in Rio de Janeiro. Complimenten aan de Duitsers. Ze doen het opnieuw in de finale.”

De duizenden Nederlandse supporters in Londen die hoopten op een herhaling van die krankzinnige halve finale tegen Groot-Brittannië (9-2), kwamen van een koude kermis thuis. Van de flitsende aanvallen, de lange rushes en fijnzinnige steekpassjes bleef tegen regerend olympisch kampioen Duitsland weinig over, vooral dankzij het tactisch vernuft en de hoog ontwikkelde verdedigingskunst van de ploeg van bondscoach Markus Weise. De Duitsers lieten geen ruimte voor al die frivole hoogstandjes. Weise, die na Athene (Duitse vrouwenploeg) en Peking (de Duitse mannen) in Londen zijn derde olympisch goud op rij won: „In zo’n finale moet je de kracht van je tegenstander neutraliseren. Dat was heel moeilijk tegen een sterke ploeg als Nederland, maar het is gelukt.”

Zijn collega Van Ass kon dat alleen maar beamen. „Hun verdediging won het van onze aanvallende kwaliteiten”, erkende hij na afloop. „Zij hebben de wedstrijd net iets beter kunnen controleren dan wij.”

Hij had er zichtbaar moeite mee zijn lot te accepteren, na die flitsende eerste fase van het olympische toernooi, met zes overwinningen op rij. Na de prestaties van zijn team in Londen – waar Nederland hooguit als outsider naartoe was gegaan – was Van Ass er vast van overtuigd dat zijn ploeg het karwei tegen de Duitsers zou afmaken. „Alles klopte. Alleen de blessure van Klaas Vermeulen was een tegenvaller. Dat hebben we echt gemerkt op het middenveld.”

Wat Van Ass nog het meest pijn deed, was dat de pleitbezorgers van aanvallend en aantrekkelijk hockey er niet in waren geslaagd het controlerende collectief van de Duitsers te verslaan. „Als we hadden gewonnen, waren we er helemaal doorheen geweest: de beste worden met mooi en aanvallend hockey”, zei Van Ass over de ambitie die hij zich twee jaar geleden stelde. „Nu valt toch nog een weg af te leggen, want het gaat er natuurlijk wel om toernooien te winnen.”

Afgezien van het mislopen van olympisch goud kon Van Ass toch tamelijk tevreden de balans opmaken. Alle ophef in de hockeywereld over zijn harde selectiebeleid en radicale koerswijziging van de nationale hockeystijl verstomde verder naarmate het toernooi vorderde. Zelfs de grootste criticasters van het beleid van Van Ass, oud-international Jacques Brinkman voorop, bejubelden vorige week het „nooit vertoonde totaalhockey” dat de ploeg van Van Ass op het olympische kunstgras had laten zien.

„Mijn doelstellingen, zoals aanvallend hockeyen, zijn wel gehaald”, vindt Van Ass. „We zijn teruggekeerd in de wereldtop, we hebben ons opnieuw gepositioneerd tussen de grote hockeynaties Duitsland en Australië. Dat is het goede nieuws. Maar ik wilde alles. Ik wilde in één keer doorstoten naar de absolute wereldtop. Dat laatste is net niet gelukt. En daar gaat het uiteindelijk wel om.”

Toch heeft hij een elftal in de steigers gezet dat in zijn ogen klaar is voor de toekomst – ook zonder de afzwaaiende Teun de Nooijer. „Dit is een generatie die in mijn beleving wel grote toernooien gaat winnen. Volgens mij is het een kwestie van tijd.”

De Nooijer zelf is de afgelopen maanden onder de indruk geraakt van de mogelijkheden van de jonge generatie, met spelers als Robbert Kemperman, Billy Bakker, Valentin Verga, Klaas Vermeulen, Sander de Wijn, Sander Baart en toernooitopscorer Mink van der Weerden. „We hebben een ongelooflijk jonge, talentvolle groep met zoveel creativiteit, snelheid en scorend vermogen. Dat kwam er vandaag niet helemaal uit, maar ik weet zeker dat ik over twee jaar, bij het WK in Den Haag, ga genieten van dit Nederlands elftal. Ik heb ervan genoten, dat ik met deze jonge jongens heb mogen spelen.”