Helden in hun oude rol – en Olof paft weer buiten

„Spelen met gelijkgestemden is gezellig, maar je wint er geen prijzen mee.” De gouden volleybalploeg van 1996 kwam in Londen bijeen voor de olympische finale.

Prins Willem Alexander viert het volleybalgoud in 1996. Vlnr: Guido Görtzen, Brecht Rodenburg, Mike van de Goor, Rob Grabert, Misha Latuhihin, Jan Posthuma, Bas van de Goor, Ron Zwerver en Henk-Jan Held. Foto AP

De gezichten waren boller geworden, maar ze glommen. Wederom van trots, maar gisteren in Londen ook van plezier. Het was veel ouwe-jongens-krentenbrood onder de spelers van het volleybalteam dat zestien jaar geleden bij de Olympische Spelen van Atlanta de gouden medaille won.

Goed om weer onder elkaar te zijn. Geweldig om met z’n allen de olympische volleybalfinale Rusland-Brazilië (3-2) bij te wonen. Maar vooral om dat speciale gevoel van verbondenheid weer te voelen.

Het begon al aan de ontbijttafel, zei Peter Blangé, de toenmalige spelverdeler én natuurlijke leider van de gouden ploeg. „Ik kwam iets na negen uur binnen. Of het gisteravond laat was geworden? Nee dus. ‘Nou dan had je op tijd kunnen zijn’. Dat gezeur, weet je. Heerlijk is dat.”

Eenmaal samen schoot ieder in zijn oude rol. Natuurlijk sprak Joop Alberda, de mannen toe, zoals hij dat tussen 1992 en 1996 zo vaak had gedaan. Maar deze keer om de huisregels-voor-één-dag uit te leggen. Eens coach, altijd coach.

Alberda was ook de initiatiefnemer van de olympische reünie in Londen. Uit nostalgische overwegingen, maar ook uit historisch besef. „Nadat ik vier jaar geleden bij de Spelen in Peking met Peter Blangé en Ron Zwerver de Verenigde Staten olympisch kampioen had zien worden, vonden we dat het gouden team in Londen bij elkaar gebracht moest worden. We hebben het wel over een ploeg die voor het sportmoment van de twintigste eeuw heeft gezorgd. Dat team mag niet ‘doodgaan’. Dat vonden Peter en Ron ook.”

En nu ze er toch zijn, wil Alberda graag een statement maken. Over de teamsporten in Nederland. „Want Nederland glijdt af. De twee laatste Spelen deden we nog mee met volleybal, softbal, honkbal, hockey en waterpolo. In Londen alleen nog met hockey. Ik zie dat als een afspiegeling van de samenleving, die meer op het individu is gericht. Maar de essentie is toch dat je samenleeft. Dus moet je samenwerken. Dat kan natuurlijk uitstekend door samen te sporten.”

In groepsgedrag was er na zestien jaar niets veranderd. Ron Zwerver, de steraanvaller van het team, was nadrukkelijk aanwezig. Blangé praatte net zo veel als destijds in het veld. Henk-Jan Held, Brecht Rodenburg, Mike van de Groot en Rob Grabert bleven op de achtergrond. En de Friezen Jan Posthuma en Olof van der Meulen trokken hun eigen plan. Met het pafje buiten van Van der Meulen als een goed bewaarde traditie.

Een team zou geen team zijn zonder een herkenbaar shirt. Dus had Alberda bij sportkledingfirma Asics poloshirts geritseld met op de borst de olympische ringen en daaronder het jaartal 1996 in gouden cijfers. Of de mannen die tijdens de finale wilden dragen. Dat deden ze als vanzelfsprekend. Met het grootste plezier. Want de oud-internationals zijn stuk voor stuk nog steeds fier op hun uitzonderlijke olympische prestatie.

Een huzarenstukje dat recentelijk werd ontsierd door een televisiedocumentaire waarin Görtzen de keerzijde van succes blootgaf met zijn verhaal over de vernederingen die hij had ondergaan. De uitzending valt samen te vatten als een mentale noodkreet van een getormenteerde sportman. Of Görtzen om die reden ontbrak, werd Zwerver en Blangé gevraagd. Beiden gaven geen antwoord, maar trokken er een veelbetekenend gezicht bij.

Blangé zei gisteren zich niet in die documentaire te hebben herkend. „Ieder zijn verhaal, maar ik vind dat Görtzen twee procent van de waarheid vertelt. Natuurlijk was het een ploeg met karakters. Maar dat maakte ons juist zo sterk. Spelen met gelijkgestemden is gezellig, maar je wint er geen prijzen mee.”

Blangé was niet het type sporter dat prestaties psychologiseerde. Kom bij hem niet aan met huilverhalen. „Natuurlijk zijn de scherpe kantjes er na zestien jaar vanaf. Maar die hadden we wel nodig om in Atlanta het verschil te maken. De onderlinge competitiviteit was juist onze kracht. Het ging in Atlanta in de finale tegen Italië om die ene bal die besliste over goud. En die kun je alleen raak slaan als je in al die trainingen daarvoor niets hebt laten liggen.”

In Blangés beleving is vrijwel alles anders gegaan dan Görtzen vertelde. „We hadden voor 98 procent veel plezier. Om die reden hebben we het zes jaar met elkaar uitgehouden. Dat lukt echt niet als het zo verschrikkelijk was als Görtzen wilde doen geloven. Dan was het in mijn ogen compleet onmogelijk geweest om goud te winnen.

„Dit was een unieke groep, die een unieke prestatie heeft geleverd. Ik ben ongelooflijk trots op dat verleden. Ik zou nu exact hetzelfde doen, ondanks de fouten die ik heb gemaakt.”