Doelstelling: check Conclusie: positief

Maurits Hendriks, chef de mission van de olympische ploeg, is tevreden over de prestaties van de Nederlanders op de de Spelen in Londen.

Londen. Met een tevreden glimlach trok Maurits Hendriks gisteren de deur achter zich dicht in het olympisch dorp. Met een medailleoogst van twintig kwamen de Nederlandse olympiërs in Londen ruimschoots uit boven de doelstelling die de chef de mission van tevoren had gesteld: de zestien van Peking, plus één. „Nederland heeft goed gepresteerd, zowel in de breedte als in de diepte”, zei Hendriks gisterochtend. „De conclusie is een heel positieve.”

De beelden zullen de komende jaren nog vaak voorbijkomen: het spektakel aan de rekstok van Epke Zonderland, sportman van het jaar, de oogverblindende sprints van Ranomi Kromowidjojo, sportvrouw van het jaar, de ongekende dominantie van Dorian van Rijsselberghe, de titelprolongatie van de ‘golden hockeygirls’, of de „epische prestatie” van Marianne Vos, zoals Hendriks haar wegtitel gisteren noemde.

Hij liet zich niet verleiden tot het noemen van zijn persoonlijke sportieve hoogtepunt in Londen, al erkende de technisch directeur van sportkoepel NOC*NSF dat hij „het niet droog had gehouden” bij de huldiging van Zonderland.

De prestaties leidden de Nederlandse equipe uiteindelijk naar de dertiende plaats in het medailleklassement, op niet al te grote afstand van grote sportlanden als Japan en Australië. In Peking was Nederland als twaalfde geëindigd, vooral omdat daar zeven gouden medailles werden gewonnen, één meer dan in Londen.

Met een kleinere ploeg (178 deelnemers) behaalde Nederland in Londen dus meer eremetaal dan met de 245 sporters die vier jaar geleden naar Peking afreisden. In 47,5 procent van de 104 medaille-evenementen waaraan Nederland meedeed werd de topacht gehaald. In Peking was dat nog 41 procent. „Voor de Spelen in Londen waren er wat twijfels over deze kleinere ploeg”, zei Hendriks. „Maar wij hebben steeds gezegd: het gaat niet om de omvang, het gaat om de kwaliteit.”

Maar het zal nog beter moeten – sneller, hoger en sterker. Wie de Olympische Spelen van Londen statistisch tegen het licht houdt, moet concluderen dat de kwaliteit van de Nederlandse sporters in de toekomst nog verder omhoog moet om nog mee te kunnen strijden om de medailles. Kleine landen, zo leert een eerste analyse van de medailleverdeling, raken steeds meer in de verdrukking. In Peking eisten de landen uit de toptien gezamenlijk nog 49 procent van alle te verdelen medailles op, in Londen is dat percentage opgelopen naar liefst 60.

Volgens Hendriks is het merkbaar dat „de rat race om de medailles elke vier jaar zwaarder’’ wordt. „De verschillen tussen een medaille of geen medaille, en de verschillen tussen goud, zilver en brons worden steeds kleiner.” Die ontwikkeling sterkt NOC*NSF in de gedachte dat Nederland zal moeten blijven kiezen voor een beperkt aantal kernsporten. De afgelopen jaren zijn dat zwemmen, zeilen, hockey, paardensport, roeien, judo en wielrennen.

Hendriks staat te popelen om die groep uit te breiden met wereldsporten als turnen en atletiek. Wat dat betreft was het goud van Zonderland een enorme opsteker. „Atletiek is daar net niet aan toegekomen’’, zei Hendriks. „Maar wat Churandy Martina hier gedaan heeft vind ik wel heel bijzonder, met zijn finales en zijn nationale records. Een prestatie van formaat. Datzelfde geldt voor de sprintvrouwen. We zijn wat dichter bij de wereldtop gekomen.”

De conclusie na ‘Londen’ is ook dat er nog een hoop winst valt te behalen voor de Nederlandse ploeg. Zo vielen de prestaties van de zeven roeiboten (één keer brons) enigszins tegen, al vond Hendriks de medaille van de vrouwenacht „echt prachtig”. Maar, voegde hij eraan toe: „We hadden nadrukkelijk ingezet op meer medailles. We draaien daar niet om heen.” Of dat consequenties heeft voor de komende jaren kan Hendriks niet zeggen. Alle sporten worden pas na de Spelen geëvalueerd.

Een andere zorg in de Nederlandse sportwereld is de positie van de Nederlandse teamsporten op de Olympische Spelen. In Londen waren alleen de twee hockeyploegen actief namens Nederland – en het rendement, met goud en zilver, was bijna 100 procent.

Maar in sporten waarin de nationale competities niet toonaangevend zijn in de wereld, zoals volleybal, handbal, basketbal en waterpolo, blijkt het voor een klein land uiterst moeilijk om aan te haken. Als die teamsporten een kans willen maken op olympische deelname zijn de spelers bijna genoodzaakt uit de competitie te stappen en vier, acht of twaalf jaar volgens het oude ‘Bankras-model’ van de volleyballers naar het hoogste niveau te groeien. Maar dat kost tijd – en heel veel geld.

„Het mag duidelijk zijn dat we voor Rio de Janeiro [2016] enorm hard gaan werken om met meer teamsporten aan de start te verschijnen”, zei Hendriks. „Maar we gaan de lat niet lager leggen. We zijn inmiddels ruim twee jaar bezig om te proberen met rugby seven Rio te halen en een medaille te kunnen winnen.”

Twee andere ploegen die langdurige programma’s hebben lopen zijn de waterpolosters – olympisch kampioen in Peking maar afwezig in Londen – en de handbalsters. Hendriks: „Dat zijn twee jonge ploegen die ‘Londen’, zeg ik maar even voor het gemak, op één doelpunt na niet gehaald hebben. Maar dat zijn wel ploegen met toekomst. We zullen harde keuzes moeten maken, maar we gaan absoluut tijd besteden aan de vraag hoe we met meer teams op de Spelen kunnen komen.”