De Bovenbazen (72)

De motormagnaat Nahum Grind, die op een dringend telefoontje van aws ter plaatse snelde, luisterde geschokt naar het verslag dat de ander hem deed.

‘Ik heb nog gewaarschuwd,’ siste hij met dunne lippen. ‘Die obb is een broddelaar; dat zag je aan zijn spinnen.’

‘Ach wat!’ kraakte zijn collega. ‘Dat heb ik ook gedacht en daarom heb ik het gewaagd om hem de Energie te geven. Die kan bij hem geen kwaad, dacht ik. Maar ik heb me vergist! obb is een geslepen schelm die een geraffineerd spel met ons gespeeld heeft! Het is zijn bedoeling om Baas bovenbaas te worden – en als we niet vlug iets doen, zal hem dat lukken ook!’ ng verviel tot een diep nadenken en geruime tijd kon men de beide heren nu zorgelijk door de smaakvolle vertrekken zien ijsberen. Zij waren echter niet de enige die zorgen hadden.

De heer Steenbreek slofte gebroken over de weg die naar de stad leidde, zonder dat de schoonheid van de prille herfstmorgen hem vreugde schonk. Hij keek pas op toen hij het huisje van Tom Poes passeerde en de bewoner aan het hek zag staan.

‘Ah,’ zei hij zuur, ‘die minvermogende kennis van obb. Een mooie vriend heb je, dat moet ik zeggen.’

‘Zeg dat wel,’ zei Tom Poes. ‘Heb je dat nu pas gemerkt?’

‘Ja,’ gaf de secretaris toe. ‘Nu pas. Ik heb me in hem vergist. Hij heeft me met zijn streken voor de gek gehouden. En dat heeft me mijn baan gekost, tp!’