Column

Bergman (1)

In Stockholm ging ik op zoek naar sporen uit het leven van Ingmar Bergman (1918-2007), een van de grootste regisseurs uit de filmgeschiedenis. Wie Bergman zegt, zegt Stockholm – en andersom. Hij is in Uppsala geboren, maar groeide in Stockholm op. En hoewel hij het tweede deel van zijn leven op het afgelegen eilandje Fårö doorbracht, bleef hij regelmatig terugkeren naar Stockholm, waar hij een appartement aanhield.

Stockholm was de schil om zijn leven waaruit hij zich nooit helemaal kon lospellen. Stockholm was zijn jeugd, zijn strenge vader (luthers predikant), zijn eerste huwelijk, zijn ontdekking van het theater. Bergman heeft het allemaal prachtig beschreven in zijn autobiografie Laterna Magica.

Ik was tevoren bang dat veel verdwenen zou zijn, maar de belangrijkste plekken uit Bergmans jeugd bleken nog steeds te bestaan. Hij groeide op in Östermalm, het welvarende noordoostelijke deel van de stad. Zijn vader werd predikant van het Sophiaziekenhuis, een groot aantal gebouwen op een heuvelachtig terrein aan de drukke Valhallavägen. Daar dwaalde Bergman als jongetje veel rond. Vooral het lijkenhuisje had zijn belangstelling. In Laterna Magica beschrijft hij uitgebreid een herinnering aan een traumatische gebeurtenis in dat huisje. Door een fout van een bode werd hij er ingesloten.

„De deur was in het slot gevallen en ik was alleen met de doden, de mooie jonge vrouwen en vijf, zes andere lijken die op planken langs de wanden lagen, slordig bedekt met geel gevlekte lakens. […] Ik was alleen met de doden, of met de schijndoden, ieder moment kon er een opstaan en zich aan me vastklampen.”

Bergman heeft de gebeurtenis verwerkt in zijn films Persona en Geschreeuw en gefluister.

Ik hoefde niet lang te zoeken op het terrein van het ziekenhuis. Eerst vond ik de kapel, een uitstulping van het hoofdgebouw, waar zijn vader gepreekt had. Een eindje verderop bevond zich het vrijstaande bakstenen lijkenhuisje bij de ingang van het Lill-Jansbos. Ik kon het niet laten er foto’s van te maken, want er stonden veel bouwmaterialen rond het huisje, misschien waren er snode verbouwingsplannen.

Dit ziekenhuis zou een belangrijke rol in Bergmans leven blijven spelen. Zijn vader overleed er. Er was een grote verwijdering geweest tussen de vader en zijn ongelovige zoon, maar de laatste jaren hadden ze weer regelmatig gepraat. Bij zijn laatste bezoek aan het ziekenhuis pakte zijn vader plotseling zijn hand en mompelde iets. „Ik begreep vrijwel onmiddellijk dat hij de zegen sprak. Een stervende vader die Gods zegen over zijn zoon afroept.”

Jaren later zou Bergman zelf in het Sophiaziekenhuis belanden met een depressie.

Ook het tweede deel van zijn jeugd bracht Bergman in deze wijk door: in de schaduw van de ronde Hedvig Eleonorakerk waar zijn vader tot predikant benoemd werd. Het gezin woonde er op de hoek pal tegenover, Storgatan nummer 7, de derde verdieping van zo’n rijzig Stockholms flatgebouw. Alles is er nog: de kerk, glanzend in het zonlicht, en het beige flatgebouw.

Op een zondag in de adventstijd ging de volwassen Bergman weer eens naar de kerk. Daarna zocht hij zijn moeder in de flat op. „Ze gaf me toestemming om wat met haar te praten”, schrijft Bergman in Laterna Magica. „Plotseling begrijp ik haar verdriet over het fiasco van haar leven. Zij was geen levensleugenaar, zoals vader, zij was niet gelovig.”

Gekwelde ouders, gekwelde zoon.