Ze riep: 'Morgen stap ik d'r uit'

In de rubriek ‘Het laatste woord’ praten mensen over de laatste levensfase.

In de zomermaanden in deze rubrieken: ervaringen van hulpverleners voor mensen in hun laatste levensfase.

Een jaar geleden stond op deze pagina het verhaal van Corrie van der Kolk, toen 86 jaar. Ze vertelde waarom ze niet langer wilde leven, door chronische pijn en aftakeling. Ze streed voor euthanasie, maar kon geen artsen vinden die haar wens honoreerden, ook niet nadat zij de publiciteit had gezocht via kranten en tv.

Op zondag 23 oktober vorig jaar maakte ze zelf een eind aan haar leven. Haar zelfgekozen dood beleefde ze als een nederlaag. Een leven lang, als verpleegster, had ze nauw samengewerkt met artsen. Talloze mensen had ze bijgestaan in hun laatste uren. Ze voelde zich in de steek gelaten door artsen die haar nu niet hielpen bij haar doodswens, en angstig doordat een eerdere poging tot zelfdoding was mislukt.

Corrie van der Kolk stierf in aanwezigheid van één getuige, Lilian Kars. Zij heeft Corrie niet en wel geholpen: niet bij het innemen van een fatale medicijncocktail, of bij andere handelingen (dat is strafbaar); wel door haar gezelschap te houden en letterlijk tot de laatste seconde met haar in gesprek te zijn (dat mag).

Lilian Kars: „Ik ontmoette Corrie bijna drie jaar geleden, toen ik interviews met ouderen hield voor een wetenschappelijk onderzoek. Toen al vertelde ze mij uitgebreid over haar doodswens. Nadien belde ik haar af en toe op.

„Gaandeweg ontstond bij mij het idee een boek te schrijven over mensen en een vrijwillig levenseinde. Vorig jaar in de zomer vroeg ik Corrie of ik haar verhaal mocht optekenen. Sindsdien voerden we elke week lange gesprekken.

„Van nabij heb ik meegemaakt hoe ze alles heeft geprobeerd om een arts voor euthanasie te vinden. In augustus is ze van huisarts gewisseld, omdat haar eigen huisarts niet bereid was haar te helpen.

„Zaterdag 22 oktober stapte ik bij haar binnen en riep in de keuken: ‘Ha Corrie, hoe gaat-ie?’ Vanuit de kamer riep ze terug: ‘Niet goed, morgen stap ik d’ruit.’ Tja, wat doe je dan? Ho, wacht, rustig, vertel eens, wat is er gebeurd? Ze zei dat ze de vorige dag had gehoord dat de nieuwe huisarts haar ook niet verder kon helpen. Dat was voor haar de druppel.

„Een paar weken eerder had ze een plastic tasje met medicijnen gekregen om zelf een einde te maken aan haar leven. Ik weet niet hoe ze eraan is gekomen, ik wil ’t ook niet weten. Ik was erbij toen een begeleider van de NVVE (Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde, red.) langskwam om te controleren of ze wel over de juiste middelen beschikte. Ze was toen niet van plan de pillen in te nemen. Ze wilde zó graag hulp van een arts krijgen – ‘waardig sterven’, noemde ze dat.

„Na een lang gesprek, die zaterdag, begreep ik dat haar besluit vaststond. Uitgebreid hebben we toen haar tijdschema doorgenomen. Zaterdagavond om een uur of negen moest ze de eerste van twaalf antibraakpillen innemen. Zondagavond zou ze dan drie soorten pillen slikken, bij elkaar bijna 250 tabletten: een ‘doorslaapmiddel’, een middel om de hartspier te verlammen en als laatste een ‘inslaapmiddel’. Ze zou dan direct in een diepe slaap wegglijden, waarna de dood na een uur of acht zou intreden. Ik zou dan ’s ochtends vroeg, voordat de thuiszorg kwam, de huisarts waarschuwen dat ze was overleden.

‘In een waas fietste ik die middag terug naar huis. ’s Avonds heb ik op tv naar Linda de Mol en Ik hou van Holland zitten staren. Hoe banaal kan de wereld zijn?

„Zondagavond tussen acht en negen zou ik weer bij Corrie zijn. De tijd kroop. Aan het einde van de middag belde ik haar. ‘Zal ik eerder komen?’ Ze zei: ‘Ach waarom, dan zit je hier maar te wachten.’ Ik zei: ‘Dat doe ik thuis ook.’ Ze zei: ‘Goed, kom maar.’

„Om half zeven was ik bij haar. Uitgebreid hebben we een fotoboek over haar moeder bekeken. Had ze gemaakt toen haar moeder tachtig werd.

„Ze was niet bang, niet emotioneel. Ze was onrustig. Ze had maar één zorg: dat ze de pillen straks niet zou binnenhouden, dat ze ook deze tweede poging zou overleven. Ik zei: ‘Ga alvast even op bed liggen. Doe je ogen dicht. Als je in slaap valt, maak ik je wel op tijd wakker.’ Dat deed ze, maar tot rust kwam ze niet.

„Om een uur of tien is ze haar keukentje ingegaan. De medicijnen had ze in drie schaaltjes al klaargezet. Ruim honderd pillen in het eerste bakje moest ze fijn stampen. Dat deed ze met een flesje. ‘Ik lijk wel een gifmengster’, zei ze lachend. Het was treurig te zien hoe ze daar stond te tobben. Thuis heb ik een vijzel. ‘Had ik moeten meenemen’, dacht ik eerst. ‘O nee, dat is hulp bij zelfdoding – strafbaar’, dacht ik toen.

„De fijngestampte pillen moest ze met vanillevla mengen. En met een scheut limonadesiroop, tegen de bittere smaak. Ze had moeite een plastic lipje van het blik siroop los te trekken. Normaal gesproken zeg je dan: laat mij maar even. Maar dat durfde ik niet.

„Op de rand van het bed heeft ze eerst de vla met de doorslaappillen naar binnen gelepeld. Toen het volgende bakje, ruim honderd pillen, lepeltje voor lepeltje, met kleine slokjes water. Ze morste, er vielen pillen op de grond. Bukken was moeilijk en pijnlijk voor Corry. Ik durfde ze niet voor haar op te rapen.

„Liggend heeft ze als laatste de inslaappillen genomen. Ze had gehoopt dat ze snel zou wegglijden, maar het duurde een paar minuten. Ze lag te woelen. Ik wist dat ze mooie herinneringen had aan de tuin van haar grootmoeder. Ik zei: ‘Doe je ogen maar dicht, neem die prachtige tuin in gedachten.’ Ze kwam tot rust. Toen zei ze: ‘Ik hoor m’n broertje huilen.’ Ik zei: ‘Ga maar naar ’m toe.’ Ze glimlachte: ‘Hé, daar komt mijn zusje.’ Dat was het laatste wat ze zei.

„Ik was voorbereid op een lange nacht voordat ik de huisarts kon bellen. Maar binnen een uur dacht ik al: is ze dood? Ik werd angstig. Ik durfde haar niet aan te raken. Ik had geen spiegeltje om te kunnen zien of haar adem nog condens gaf. Het zou verdacht kunnen zijn als ik de hele nacht bij een dode Corrie had gezeten. Maar ik wilde ook niet te vroeg bellen en het risico van reanimatie nemen.

„Om half twaalf heb ik de huisartsenpost gebeld. Een arts was snel ter plekke. Binnen de kortste keren stroomde Corries huisje vol: twee agenten, een rechercheur, een forensisch fotograaf, een officier van justitie. Tot vijf uur ’s ochtends duurden hun onderzoek en ondervraging. Toen werd het formulier ingevuld waarop ze officieel dood werd verklaard, gedateerd op maandag 24 oktober – hoewel ze feitelijk de dag tevoren was gestorven. Ook dat is een strikte regel van de overheid bij een niet-natuurlijke dood.”