Wildpluksla

Duizendblad, voederwikke, hondsdraf – thuiskok Marjoleine de Vos plukt haar salade deze week in het bos.

De planten in mijn tuin zie ik in mijn verbeelding wat achteruit deinzen als ik mijn nieuwe blik over ze heen laat gaan. Die nieuwe blik kijkt namelijk niet alleen naar onkruid dat ik zal proberen uit te trekken. Ook voorheen gekoesterde planten zijn niet meer veilig: de bloemetjes van de geranium, de fijne blaadjes van het duizendblad, de gloeiend oranjerode daglelies, de steeltjes van de adderwortel. Zij allemaal wekken mijn begeerte. Ze mogen wel uitkijken. Voor ze het weten eet ik ze op!

De natuur is net een enorm saladebuffet – en met meer dan sla. Een moestuin. Een Luilekkerland. Een soepbasis. Maar je moet het even weten. En af en toe moet je eens op stap gaan met iemand die het weet.

Zelf laat ik me graag leiden door Ria Loohuizen, die allerlei boeken schreef over uit het wild eten – onder meer Bos op je bord en Kweepeer, mispel en vijg – en vooral ook een handig boek met achtergronden en nauwkeurige beschrijvingen van allerlei eetbare planten, Van nature. En er is Michiel Bussink met zijn bijzonder aanstekelijke Lekker Landschap, waarvan je zin krijgt om als het ware grazend in het leven te gaan staan. En vorige week was ik op stap met Edwin Florès, ‘de man met het mandje’, die in Elle Eten verslag doet van zijn wildplukkerijen en graag mensen meeneemt op workshops om zelf eens te voelen, te proeven en te ruiken wat de natuur zoal te bieden heeft (zie casaforesta.nl).

Een paar uur met hem door park Sonsbeek in Arnhem lope n, niet bepaald heel wilde natuur waarvoor je enorme reizen moet maken, geeft je al een heel andere kijk op eetbaarheid.

„Pluk daar maar eens een blaadje van”, zegt Florès en wijst op een groep frisgroene plantjes met puntige blaadjes. „Even kauwen en dan op je tong leggen.” Ik doe het en binnen de kortste keren begint het: een prikkeligheid of ik een plakje verse peper op mijn tong heb gelegd. „Dat is waterpeper.”

Aha. Het groeit in vochtig bos en bij water, vlakbij de waterkers. Waterkers ja, dat dure spul dat in zakjes bij exclusieve of biologische groentezaken verkrijgbaar is. Groeit gewoon hartje Arnhem in een beek. En in overvloed ook nog. Waterkers heeft schoon water nodig, en dat is in Sonsbeek ruim voorhanden. Maar niet alleen daar natuurlijk.

Muurpeper

Thuisgekomen zoek ik in Loohuizens Van nature en vind een extra locatie om waterkers te vinden (namelijk in de waterleidingduinen) en ook nog ‘muurpeper’. Zij waarschuwt wel dat je van die laatste geen enorme hoeveelheden moet eten, omdat er alkaloïde in zit. Of dat ook voor de waterpeper geldt weet ik niet, maar hoe dan ook heb je geen behoefte om er bossen van te eten, wel om een aantal blaadjes door de sla te doen. Opwindend! Net als de klaverzuring, die ook in royale hoeveelheden op de bossige grond groeit en die heerlijk friszuur smaakt.

Na een poosje verbeeld je je bijkans dat je alles kunt eten: de heerlijke naar erwtjes smakende voederwikke, de kruidige, licht bittere hondsdraf, het moerasvergeetmenietje, de bloemknopjes van de gewone bereklauw (dat is die kleine, die overal in de berm staat, niet de beruchte Russische reuze bereklauw), ja, volgens Florès zijn zelfs de stengels van de vervaarlijke woekeraar Japanse duizendknoop heel heerlijk – lekkerder dan rabarber zegt hij. Maar juist nu ik dat wilde proberen, zie ik ze nergens. Wat in een ander opzicht maar gelukkig is, want de Japanse duizendknoop wordt internationaal tot de honderd meest invasieve exoten gerekend, is zo goed als onuitroeibaar, doet het altijd en overal, zelfs dwars door de fundering van je huis heen als-ie een scheurtje vindt.

Maar het is wel bevredigend om de vijand op te eten – je moet je toch op een of andere manier te weer stellen. Net zo is het plezierig dat alle wildplukkers altijd zweren bij zevenblad, de plaag van iedere tuinier. Niet omdat het geen mooie plant is, dat is het eigenlijk wel – frisgroenblad, doet het prima in de schaduw, is een ideale bodembedekker, geeft prachtige tere witte schermbloemen – maar het is met zijn razendsnel door de grond kruipende wortelslierten er eentje die je nooit meer kwijt raakt en die overal waar je hem niet wilt hebben ook eigenwijs zijn voortreffelijke groei-eigenschappen etaleert.

Opeten dus! Als soep, als spinazie-achtige groente, en het jonge zevenblad is ook rauw in de sla heel lekker. Wie het geregeld uittrekt, heeft ook steeds weer jong zevenblad. Lachte zij zuurzoet.

Zoals gezegd: sla staat overal in de natuur voor je klaar.

En niet alleen sla. Bessen, paddenstoelen, vullingen voor hartige taarten en spullen voor in de soep (wilde pastinaak bijvoorbeeld) zijn nu volop voorhanden.

Als niemand je ziet tenminste. Om een of andere reden, alle wildplukkers en natuureters klagen daarover, mag je in Nederland altijd alleen maar naar de natuur kijken. Zodra je van het pad afgaat, zodra je je bukt om iets te plukken, wordt er moord en brand geschreeuwd en vliegen de verboden en de boze boswachters je om de oren. „Natuurbeheerders wekken de indruk dat ze [de gewone burger] niet vertrouwen”, schrijft Loohuizen.

Bussink hoont de idiote hoeveelheden verboden die op elk bordje staan als je een natuurgebied dreigt te betreden. En Florès klaagt over bosbeheerders en bermmaaiers, die met hun grote machines álles vernielen, maar o wee als je eens een plantje plukt, of een mandje paddestoelen. Dan word je uitgescholden en beboet alsof je een terrorist bent die bezig is onze rijke flora om hals te brengen. „Er is nog nooit een plantensoort, boom of paddestoel uitgestorven door het plukken voor consumptie”, schrijft Loohuizen. Nee. Wel door landbouwgif, vervuiling, enzovoort.