Somber crisislustrum

De belangrijkste kwinkslagen tijdens de kredietcrisis, die zich vijf jaar geleden aandiende toen de Europese Centrale Bank (ECB) 156 miljard euro in het bankwezen moest pompen omdat de banken elkaar niet meer vertrouwden, waren simpele maar overtuigende lesjes voor de moderne economie.

‘Too big to fail’, was de eerste uitspraak die kernachtig samenvatte dat voor financiële mammoets de tucht van de markt niet geldt. Engels is nu eenmaal de lingua franca in de haute finance.

De tweede kwinkslag was optimistischer. ‘Never waste a good crisis.’ In ouderwets Nederlands: maak van de nood een deugd.

Too big to fail is nog steeds een adagium. Na het faillissement van Lehman Brothers in september 2008, het moment waarop de crisis zich echt openbaarde, zijn bank- en verzekeringsconglomeraten van de ondergang gered door nationale staten. Wijs geworden houden ze sindsdien de hand op de knip, ook als een ondernemer met een goed plan maar zonder onderpand om krediet vraagt.

Too big to fail gaat ook op voor staten die na deze reddingsacties zelf in een kredietcrisis verzeild raakten en de euro mee sleurden. De redders van de banken moesten zelf worden gered. Ierland en Spanje zijn daarvan voorbeelden. Trim de overheidsuitgaven, is nu het parool. Dat is mede nodig om het vertrouwen van de financiële markten te herwinnen.

Vijf jaar geleden moesten die dankbaar zijn dat de ECB de banken te hulp schoot. Nu heerst er de oude orde van de dag. Ondank is ’s werelds loon. Deze krant schreef vandaag vijf jaar geleden: „De kampioenen van het ongebreidelde kapitalisme konden zich in onvoorwaardelijke steun” van de staat verheugen. Maar dat „is in wezen een nederlaag”. De vicieuze cirkel is sindsdien niet echt doorbroken. De crisis is proefondervindelijk aangepakt en onvoldoende benut om structuur- en weeffouten op te sporen.

Natuurlijk. In maatschappelijke zin is de bonuscultuur ter discussie gekomen. Weliswaar hebben maar weinig bankiers blijkgegeven van zelfkritiek die langer duurde dan een ingezonden stuk voor een opiniepagina. Maar zakkenvullers zijn toch geen helden meer. Wat vroeger slim werd gevonden is nu een schandaal. Denk aan de manipulatie van de Libor-rente, waarbij niet alleen Barclays maar ook de Rabobank betrokken lijkt.

Technisch is er ook het nodige gebeurd. In de VS en Europa zijn banken aan stresstesten onderworpen om hun balans op orde te brengen. De richtlijnen voor de kapitaalseisen aan banken, de akkoorden van Basel zijn herijkt. Voor de kredietcrisis gold Basel I, daterend uit 1988. In de vier jaar die na het omvallen van Lehman zijn verstreken, zijn de kapitaalseisen tweemaal aangescherpt: met Basel II en binnenkort met Basel III. En iedereen is ook alerter.

Maar dieper gaan de veranderingen niet. Zo is er nog geen echt einde gekomen aan de vermenging van nuts- en zakenbanken. Die verwevenheid heeft tot gevolg dat private bankers nog altijd steeds risicoarm kunnen opereren en speculeren. Ze rekenen erop dat hun retailbank ná het Lehman-trauma uiteindelijk toch wel wordt gered, omdat die banken onmisbaar zijn voor de reële economie. Bijna nergens is het gelukt om die twee bancaire functies wettelijk uit elkaar te trekken. Het is in de Angelsaksische wereld en op het Europese continent gebleven bij gedeeltelijke scheidingswanden.

‘Lessons learned’, was een cliché dat afgelopen vijf jaar vaak weerklonk. Zoveel lering is er echter niet getrokken. Het staat vast dat banken de smeerolie zijn in het maatschappelijk verkeer. Zoals ook staten hun financiële huishouding op orde moeten hebben.

Maar buiten deze waarheid als een koe is de crisis niet gebruikt maar verspild. De burger, die belasting betaalt, en de hardwerkende ondernemer, die iets tastbaars produceert, zijn de dupe.