Paul Witteman is een bange poeperd

Koos Postema behoort tot een generatie die flink begint uit te dunnen. De generatie die de televisie in Nederland groot maakte. „Je moet binnenkomen bij mensen. Dat bleek ik te kunnen.” Vrijdag wordt hij tachtig, de leeftijd waarop je denkt: zou ik de volgende Olympische Spelen nog zien?

Tachtig wordt hij, op 17 augustus. Wát zegt u? Ja, tachtig. Hij vindt het zelf ook bespottelijk. „Tachtig worden is iets voor je oma.” Postema mag dan grijzer geworden zijn, hij is nog steeds onmiskenbaar ‘Koos’. Inclusief de eigenschappen die hem decennialang tot nationale huisvriend maakten. Amicaal, uitbundig schaterend om elke grap die de bezoeker maakt. Tegen zijn vrouw, priemend naar de verslaggever wijzend. „Die heeft dus al twéé speculaasjes op, hè.” En even later, als NRC Handelsblad door de brievenbus naar binnen glijdt: „Laten we ’m wegsturen, ons cryptogram is gekomen.”

Hij heeft zich nooit zo bekommerd om leeftijd. Veertig worden, vijftig, zestig… het kon hem weinig schelen. Die mijlpalen zijn ook heel anders dan vroeger. „Toen had je mensen van in de vijftig die al stokoud waren. Maar zie jij aan Matthijs van Nieuwkerk dat hij de vijftig gepasseerd is?”

Wat verandert er als je tachtig bent?

„Niets. Je moet alleen oppassen dat je niet valt. Eén keer lelijk vallen en je heup breken en dan ben je op deze leeftijd verkocht. En als je naar de Olympische Spelen kijkt en je hoort iemand zeggen: ‘Tot over vier jaar in Rio de Janeiro’, dan denk je toch even: zou ik die Spelen ook nog zien?”

Laat hem eerlijk zijn: hij behoort tot een generatie die inmiddels flink begint uit te dunnen. Om hem heen wordt er duchtig op los gestorven. Postema wordt steeds vaker gevraagd om een verscheiden collega te herdenken op radio en televisie. Of het nou Bob Spaak is of Joop Koopman. Dat is de taak voor wie de laatste ooggetuige van zijn tijd begint te worden. „Staat er zo’n klein lullig stukkie over Joop in de VARA-gids. Dat kán toch niet? Maar ja, ze hebben geen idéé. De kranten doen dat dan toch veel beter dan de omroep.”

Werken daar dan betere journalisten?

„Het is in elk geval allemaal wat doorwrochter. Je ziet in het Journaal de doden in Syrië dag in dag uit door het beeld gedragen worden. Maar of dat nou sunnieten, shi’ieten of alawieten zijn, daar hoor je niks over. Dat wordt in kranten allemaal direct uitgelegd. Maar wij doen dat niet. Af en toe zie je als het over gezondheidszorg gaat in het Journaal iemand die iets komt toelichten, ene Rinke van den Brink. Die noemen ze ook direct heel trots ‘onze redacteur gezondheidszorg’.”

En Van den Brink is van oorsprong ook een krantenman; hij komt van Vrij Nederland.

„Zie je wel, daar heb je het alweer. Bij het Journaal zijn ze er apetrots op. Voor hen is het tamelijk nieuw. Terwijl kranten zo ongeveer zijn opgericht om te duiden. Ik vind dat mensen die het Journaal lezen, de achtergronden van het nieuws moeten kennen. Of het nou over gezondheidszorg, over Dick Advocaat of over Syrië gaat. Maar ik vóél intuïtief dat er nieuwslezers zijn die geen idéé hebben wat er in Syrië gebeurt. Leeg lezen, noem ik dat. Ik hóór het gewoon. Dan denk ik: wat zou ik graag even de autocue bij dat wijf uitzetten. Dan moet ze opeens terugvallen op dat papier op tafel. Die blauwe belastingenvelop die daar voor de kat z’n sigaar op die desk ligt.”

Dus Mart Smeets had gelijk toen hij in een discussie met Eva Jinek zei dat grote nieuwslezers geen autocue nodig hebben?

„Absoluut. De nieuwslezers van het Duitse journaal hebben heel lang een autocue geweigerd. Met als argument: wij zijn redacteuren, geen voorlezers.”

Waarom was u goed in uw vak?

„Als presentator moet je op een adequate manier informatie weten los te krijgen om die vervolgens door te geven aan kijkers. En je moet binnenkomen bij mensen. Dat bleek ik te kunnen.”

Toch was u meer presentator dan journalist.

„Dat geloof ik ook. Bij Achter het nieuws werden de echt diepgravende interviews door Herman Wigbold zelf gedaan. Die kon dat heel goed.”

Hadden jullie in die vroege jaren zestig hooggespannen verwachtingen van televisie?

„We hadden zeer hoge verwachtingen. Televisie was het venster op de wereld. We hadden misschien niet het idee dat we de wereld beter konden maken, maar wel dat de televisie iets ten goede kon helpen veranderen. Al die hongerreportages van Brandpunt en Achter het nieuws berustten toch op de gedachte: als mensen dit zien, dan zullen ze vast in actie komen. Dan wordt er geld ingezameld om waterputten te slaan. En toch bleven die hongersnoden en die oorlogen maar doorgaan.”

Wanneer begon bij u de twijfel te komen?

„Toen de veranderingen waar we op hoopten toch niet kwamen.”

Of heeft de televisie uiteindelijk meer kwaad dan goed gedaan?

„Nee. Het kwaad zit in mensen, niet in de televisie. Natuurlijk is er een vergroving opgetreden door die vreselijke programma’s waarbij mensen hun broek laten zakken voor geld. Maar in het algemeen heeft de televisie veel goeds gedaan: mensen weten echt meer dankzij de televisie. Er zijn mensen die door een bericht in het Journaal een cursus gaan volgen.”

Waarmee hebt u zelf een verschil kunnen maken?

„Vooral in de periode tussen 1970 en 1980 met de Uren U. Uitzendingen over grote sociale, medische en maatschappelijke onderwerpen. Van homoseksualiteit en reageerbuisbevruchting tot psoriasis en pedofilie. Kennis overbrengen. Laten zien: dit bestaat ook, zo denken mensen ook. Misschien heeft u er iets aan.”

Uw carrière is ruwweg in drie blokken onder te verdelen: de jaren zestig met Achter het nieuws, de jaren zeventig met de Uren U en de jaren tachtig met Klasgenoten. Wat was de mooiste periode?

„Die Uren U. Doordat je echt kennis kon doorgeven. Hoewel die Klasgenoten ook mooi waren. De beste afleveringen waren lichte documentaires. Het Brabantse schooltje van Corry Konings, met meisjes die bijna allemaal al kunstgebitjes hadden van het vele snoepen. De klas van Leontien van Moorsel uit Boekel. Dan zág je Boekel.”

Hebt u die programma’s nog wel eens teruggezien?

„Aad van den Heuvel zegt altijd: ‘Denk erom, nooit je oude programma’s terugzien. Dat valt altijd tegen.’ Heeft-ie groot gelijk in. Twee van mijn kleindochters deden op het vwo een project over Vietnam. Vroegen ze: ‘Hé opa, daar ben jij toch ook geweest? Mogen we dat ’ns zien?’ Ik naar Beeld en Geluid. Ik kwam terug met dertig minuten Achter het nieuws over de ellende van de kinderen in Vietnam. Dat was hoe we dat deden: geen verslag vanaf het front. We gingen achter de frontlinie weeshuizen bezoeken. Ik keek naar dat halve uur en dacht: mijn god. Inkorten tot hooguit negen minuten. En dan is echt de hele boodschap verteld.” Maar mijn kleindochters vonden het mooi. Het eerste wat ze riepen was: ‘Wat had je toen nog donker haar.’ Mijn kleinkinderen hebben mij natuurlijk nooit in actie gezien. Ja, weleens een keer bij De wereld draait door. Maar die Uren U, die Klasgenoten of die olympische ontbijten, dat zegt ze niets. Ik ging een keer met mijn kleinzoon, die ook Koos heet, naar Feyenoord. Op de tribune wordt dan wel van alle kanten ‘Hé Koos’ geroepen. Dacht hij dat ze hem riepen. Want wie kent opa nou?” Schaterend: „En zo hóórt het ook.”

Voelt u zich nog met het medium televisie verbonden?

„Oh zeker. Dat blijft toch altijd je club. Ik kijk nu veel naar de Olympische Spelen, en toch ook met speciale vakmatige betrokkenheid. Ik vind een aantal verslaggevers vervelend en saai. Het probleem is dat je als NOS geen verslaggever in dienst kunt nemen voor het schermen. Die man doet zoiets erbij. Dus is het vaak iemand die overmatig van schermen houdt. Als je de Tour laat doen door ene Herbert Dijkstra, die alleen maar dweept met die sport... dat kan niet. Er is geen enkele afstand. Alleen maar zo’n Vinokoerov de hemel in prijzen. Terwijl dat een man is voor wie de farmaceutische industrie een standbeeld in Kazachstan heeft opgericht. Geen woord daarover. Ik was blij dat bij de Olympische Spelen Mart Smeets er weer bij zat. Dat meisje Vos brak voortdurend uit die meute weg, in die stromende regen. Prachtig om te zien, schitterend in beeld gebracht. Zegt die Dijkstra: ‘Ja, het is een ware vossenjacht.’ Smeets laat dan een kleine stilte vallen en zegt: ‘Weet jij dat er hier in Londen vossen lopen?’ Hetgeen wáár is. ‘Want we reden vannacht naar huis en...’ Volgt er even een verhaal tussendoor, meesterlijk verteld. Dat kan die gekke Smeets. Daarom is er ook geen opvolger voor hem. Overal – bij het Journaal, bij Nieuwsuur – zijn er voor iedereen altijd opvolgers. Behalve voor deze heer Smeets.”

Omdat hij zo goed is of omdat de anderen zo tegenvallen?

„Hij is niet alleen goed maar ook apart. Hij roept ook ergernis op. Nu roept-ie weer om de haverklap dat-ie al vijfenzestig is. Zoals hij die meisjes ook vaderlijk toespreekt. Meisje is vierde geworden en is diep teleurgesteld. Zegt Mart: ‘Maar weet jij dat jij een ge-wel-di-ge prestatie hebt geleverd?’ Dan zit ik echt te wachten tot-ie zegt: ‘Zal papa je straks voor het slapen gaan nog even komen voorlezen? En dan mag het lampje daarna nog heel even aan blijven.’ Wie doet zoiets nou?”

Is er een leeftijd waarop je beter kunt ophouden bij de televisie?

„Nee.”

U begon op uw vijfenzestigste nog bij Sport7.

„Ja. Omdat ik nog vol energie zat. Alleen was die keuze voor Sport7 achteraf niet gelukkig.” [De zender bestond maar vier maanden, red.]

Ligt die leeftijd voor mannen anders dan voor vrouwen? Sonja Barend hield er op haar vijfenzestigste bewust mee op. Paul Witteman zit er nog steeds.

„Witteman is een bange poeperd. Hij wordt ook steeds kleiner. Is je dat niet opgevallen? Dan vraagt een journalist aan hem: ‘En wat nou als u straks zeventig bent?’ Antwoordt hij timide: ‘Ik hoop dat de VARA dan nog een programma voor me heeft.’ Sodemieter toch op. De VARA mag blij zijn dat ze ’m hebben. Maar ik wil Witteman alléén zien. Nu zit-ie naast die lange slungel die met de week beter wordt. Ja, ook beter dan Paul. Voor dit genre dan. Dan zitten ze samen die Rutte te doen, ingepakt door allerlei spindoctors. Een hoogst vervelend uur. Dan denk ik: ga die man nou ’ns alléén scheren, een half uur lang. Zoals Witteman dat vroeger met Wim Duisenberg deed. Dan kijk ik zeker. Binnen dit format wordt het snel vervelend.

„De sfeer bij Barend & Van Dorp was anders, veel meer betrokken. Ze haalden er meer uit. Die ene veelbesproken zakenman die nergens kwam zat dus wel bij hen aan tafel. En de combinatie was zo goed. Die Henk – een jongen van wat eenvoudige snit, in elk opzicht – met die brutale Frits erbij. En dan die wonderlijke rol van Jan Mulder, die toen nog leuk en overal tegen was. Dat weet ik nu wel, maar toen vond ik het erg leuk. Van Dorp kon ook zo onverwacht uit de hoek komen. Hadden ze een fel gesprek met Henk Kamp. Het liep hoog op. Opeens viel er een stilte, en vroeg Henk: ‘Denkt u nooit: ik schei ermee uit?’ Daar genoot ik van. Gewoon een vraag van een man in een café. Niemand doet dat. Het raffinement van de eenvoud. Want die vraag ráákte Kamp. Prachtig.”

Zou u het nog kunnen, als Nieuwsuur zou bellen dat iedereen ziek was?

„Ik weet het niet. Vorig jaar heb ik voor de NOS nog een serie gepresenteerd over zestig jaar televisie en koningshuis. Gesprekken opgenomen op paleis Soestdijk met uiteenlopende mensen. Van Jack Spijkerman, over spotten met het koningshuis, tot Ad van Liempt. Zeer goed geproduceerd door een geweldige redactie. Dat lukt me dan toch nog vrij aardig.”

En u hebt op uw 79ste nog uw filmdebuut gemaakt.

„Ja! In een film waarin het bombardement op Rotterdam voorkomt. Ik speel een geestelijke die in een kerk een paar trouwt, precies op het moment waarop het bombardement begint. Opgenomen in Boedapest. In de echte Laurenskerk in Rotterdam kon het niet. Er moesten ook vreselijke explosies klinken. Dat zou op die plek toch iets te ver gegaan zijn. Ze hadden me gevraagd vanwege mijn connectie met Rotterdam. Gerard Cox speelt er ook een rol in.”

Riep het bij u nog specifieke herinneringen aan het bombardement op?

„Nee. Hoewel ik het bombardement van seconde tot seconde kan navertellen. Het huis dat begon te schokken, de stofwolken voor de ramen. Die trap die onder onze voeten bewoog als een cakewalk. Hoe we de straat uitrenden, langs de rand van de brandende stad naar een tante in Capelle. Maar dat kwam nu niet terug.”

Komt je jeugd naarmate je ouder wordt verder van je af te staan, of komt-ie juist dichterbij?

„Ik zal je iets laten zien.” Hij staat abrupt op, loopt de kamer uit en komt na een minuut terug met een mapje. Paperassen die hij onlangs kreeg van de RET in Rotterdam. Met een foto van zijn vader, die stierf toen Postema vier was. „Even kijken”, zegt hij, terwijl zijn vinger over de foto glijdt. Zoekend naar een gezicht dat hij eigenlijk niet kent. „Ze hebben hem voor me aangewezen. Kijk, daar staat-ie.” Zijn nagel tikt de pet aan van een van de tientallen trambestuurders op de foto. Jan Postema, 36 jaar, in vol ornaat vastgelegd, twee jaar voordat hij zal worden afgekeurd wegens een nierziekte, en zes jaar voordat hij zal sterven. Zijn zoon heeft geen enkele herinnering aan hem. „Hier heb ik zijn conduitestaat.” Postema begint voor te lezen, schuddend van het lachen. „Te vroeg aankomen aan het einde der lijn. Mondelinge correctie. Aanrijding Claes de Vrieselaan: geen schuld. Aanrijding sleperswagen Kruiskade: schuld twijfelachtig.” Voor hem hebben deze papieren vooral een anekdotische waarde, zegt Postema. „Wat me wel ontroert, is zo’n mededeling dat hij in 1932 eervol ontslag krijgt. Blijkens mededelingen van de pensioenraad voor de verdere waarneming van zijn functie ongeschikt bevonden. Toen was hij pas 38.”

Heeft u hem ooit gemist?

„Wel als je de mooie verhalen over hem hoorde. Het verdriet was immens. Mijn moeder werd weduwe op haar 34ste. Daarna is ze nooit meer hertrouwd. Ze kon aan mijn dochters over hem vertellen alsof hij gisteren gestorven was. Hij is altijd de enige man in haar leven gebleven. Bij de opening van de Erasmusbrug werd ik gevraagd om de eerste tram over de brug naar de linker-Maasoever te besturen. In het pak van de RET. Ja, dat vond ik toch wel mooi.”

Hebt u bereikt wat u wilde?

„Oh ja. Het is mooi geweest.”

Denkt u nog weleens aan dat telefoontje van Ad van Liempt? Die vroeg u of u het nieuwe programma NOS Laat wilde presenteren. Maar u had net de dag ervoor getekend bij Joop van den Ende.

„Daar heb ik nooit spijt van gehad. Al had ik later dat Sport7 niet moeten doen. Dat was duidelijk niet goed georganiseerd. Achteraf had ik dat beter moeten doorzien. Maar verder mag ik niet klagen over hoe het gegaan is. Weet je wat zo raar is? Van de oude ploeg van Brandpunt leeft bijna iedereen nog. En van Achter het nieuws is bijna iedereen dood. Ook de grote Herman Wigbold is dood. Hij kwam thuis na een zeiltochtje in de Biesbosch. Nog even CNN kijken voor het slapengaan. Vond zijn vrouw hem de volgende dag voor de televisie, zittend voor dat scherm. Mooie dood wel voor iemand die geheel en al was opgetrokken uit journalistiek.”

Betrekt u dat op uzelf?

„Jawel. Al vlucht ik toch weer heel snel in de anekdotiek. Aan anderen willen vertellen wie die Wigbold was.”

Op een dag zit er iemand bij Nieuwsuur te vertellen wie Koos Postema was. Wat zou diegene dan moeten vertellen?

„Dan hoop ik dat hij vooral de periode tussen 1970 en 1980 memoreert. Dat doorgeven van kennis, het openzetten van deuren. Dat is wat je doet als presentator: deuren naar kennis openzetten. Uiteindelijk ben je in dit vak toch vooral een soort portier.”