Het verlangen Epke te zijn

Bij de Olympische Spelen juichen we het liefst voor normale, aardige topsporters. Het verschil met ons, de afvallers die nooit ergens de beste in zullen zijn, is dan het kleinst, stelt Janneke van der Horst.

Turner Epke Zonderland tijdens de rekstokfinale, afgelopen week op de Olympische Spelen in Londen. Foto AP

Mijn sportieve leven begon op een turnvereniging met de naam Vlugheid en Kracht. Ik was niet bijzonder vlug en zeker niet krachtig, maar een vriendin van mij zat op turnen en ik was graag in haar nabijheid. Ik stelde mij voor dat ik misschien wel acrobaat kon worden. Om de een of andere reden had ik het idee dat je bij turnen oefende in een trapeze. Helaas oefenden wij op een heel lange, smalle blauwe mat. Op de grond. En op die smalle mat deden we de eerste lessen met twaalf meisjes in een soort canon de koprol. De kunst hierbij was om voor de duur van zo’n koprol op die lange, smalle blauwe mat te blijven. Dat was pittig. In de draai raakte ik steeds volledig gedesoriënteerd en daarom bleef ik nog het hele jaar – mijn ouders waren van het soort ‘als je aan iets begint, moet je het ook afmaken’, waarmee ze eigenlijk bedoelden ‘wij hebben al voor het hele jaar vooruit betaald’ – bij de beginners.

Daarna ging ik op tennis. Dat paste beter bij mij. Elk vrij uurtje stond ik op de baan. Als er niemand was om tegen te tennissen, dan sloeg ik in mijn eentje tegen het muurtje en als ik dat zat was, ging ik bij mensen kijken die aan het tennissen of trainen waren.

Mijn turnvriendin was na een paar jaar wel op het turnen uitgekeken en besloot zich aan te sluiten bij de tennisvereniging waar ik lid was. Ze had aanleg, dat zag ik ook wel. Natuurlijk was ik al wat verder, ik trainde al drie jaar, maar met mijn begeleiding zouden we al snel bij elkaar in de training komen en daarna in een competitieteam. Helaas voor mij had ze zo veel aanleg dat de clubtrainer haar al direct na het openingstoernooi aan de selectie toevoegde.

Iets waar ik pas een jaar later bij zou mogen aansluiten.

Ik ontdekte dat sport niet eerlijk is. Niet iedereen is gemaakt voor de koprol. Hard werken is geen garantie voor succes.

Tijdens de Olympische Spelen juichen wij, de afvallers, voor sporters die van hun tegenstanders winnen zoals ooit van ons. En soms houden we ons voor dat er behalve fysieke redenen ook andere excuses zijn waarom we het niet hebben geschopt tot topsporter: je vader wilde dat je op piano ging, je raakte geblesseerd, je vond andere zaken belangrijker, je buurmeisje leidde je af, je moeder overvoedde je – maar een feit is dat wij het niet hebben gered, dat we dit blijkbaar naast ons neer kunnen leggen en met plezier kijken naar sporters die dingen doen die we zelf niet kunnen. Zoals we ook in onze goede vriendschappen en in de liefde iets willen bewonderen in de ander.

Heel vaak hebben we tijdens de Spelen geen flauw benul waar we precies naar kijken. Bij sommige sporten is het duidelijk wie de beste is. Bolt is als eerste over de finish, Vos ook. Maar bij jurysporten zijn we overgeleverd aan de commentator. Zijn opwinding wordt de onze. Ook al hebben we niet het flauwste benul hoe bijzonder het is om een Cassina en Kolman te doen zonder reuzenzwaai ertussen, als de commentator daar enthousiast over is, zijn wij dat uiteraard ook.

Zeker als het om een leuke jongen als Epke Zonderland gaat. We zijn hier dol op dit soort ‘gewone’, aardige helden. We hebben het niet voor niets voortdurend over, „deze jongen uit Lemmer”, of „dit meisje, gewoon uit Sauwerd, pakt hier olympisch goud”. Dat ze zich niets verbeelden en vooral ook dat zij, net als wij, uit heel gewone dorpen komen, waar het naar spruitjes en braderieën ruikt. En dat het eigenlijk maar heel weinig had gescheeld of zij hadden ons leven gehad of wij dat van hen. We willen niet dat sporters zich gedragen zoals schermer Bas Verwijlen. Dat ze zichzelf op de borst gaan slaan. Als de Jamaicaan Bolt dat doet, vinden we het geweldig, maar als hij Nederlander was, hadden we anders gereageerd. Dan gaan we twitteren. En posten op Facebook. Nederlandse topsporters moeten normaal doen. Normaler dan wij onszelf gedragen tijdens de amateurzaalvoetbalcompetitie of met dames 8 op het hockeyveld.

Voor al die aardige sporters juichen we, ook al lieten ze ons ooit achter in die onderste regionen van sport. We juichen voor hun succes en voor alles wat zij daarvoor gelaten hebben en waar we stiekem medelijden mee hebben, omdat wij denken dat het goed voor onze ontwikkeling is geweest dat wij wel uitgingen op ons vijftiende en op ons zestiende een eerste trekje van een joint namen. Omdat we ons verbeelden dat wat wij doen ‘leven’ is. Maar in dat ‘leven’ zullen we nooit weten hoe het voelt om in iets de allerbeste te zijn van de wereld. En daar zullen we altijd nieuwsgierig naar blijven.

Janneke van der Horst is sportcolumniste bij Het Parool.