Het olympische virus waart rond in Londen

Het was altijd een kwestie van tijd voor de Londenaren ophielden met mopperen over de Spelen. Ik zag het gebeuren bij het huwelijk van prins William, vorig jaar, en bij het regeringsjubileum van koningin Elizabeth, eerder dit jaar. Er wordt geklaagd dat de stad zal worden overgenomen, en dat het allemaal onzin is, maar uiteindelijk wordt er gefeest.

Nu dus ook. Maar er was tijdens de Spelen meer aan de hand. Londen verkeerde zowaar in een lichte roes. Het was alsof we in een luchtbel van vrolijkheid zatten, of onder een deken van optimisme en enthousiasme.

De buschauffeurs, die eerder nog dreigden te staken, riepen opeens sportresultaten om. In mijn straat werden er vlaggetjes voor de ramen gehangen. En zelfs de grootste misantropen gingen om. Times-columnist Hugo Rifkind, die zaterdagochtend nog schreef liever verf te drinken dan naar de Spelen te kijken, gaf maandag toe „het olympische virus” te hebben gekregen. „Ik ben het levende bewijs dat dit alles verzadigend is, voor iedereen en overal in het Verenigd Koninkrijk.”

Dat had natuurlijk te maken met de Britse sporters. Voor een volk dat er van geniet de kranige verliezer te zijn, en waar nog altijd geldt dat meedoen belangrijker is dan winnen, was het een bijzondere ervaring om medaille na medaille te winnen.

De Britten behaalden er sinds 1908, de eerste keer dat de Spelen in Londen werden gehouden, niet zoveel. De eindeloze parade van medaillewinnaars in kranten en op televisie deed veel voor het gemoed.

Maar het had ook te maken met de sfeer rond het Olympisch Park en in de binnenstad. Vrijwilligers in hun paarse, roze of blauwe T-shirts riepen je op Amerikaanse manier ‘goedemorgen’ toe, vroegen of je dag leuk was, en wensten je ‘wel thuis’. Overal zag je groepjes vrolijke buitenlandse sportfans foto’s maken. Zoals een collega opmerkte: vorig jaar waren capuchons nog het symbool van de relschoppers, nu van feestgangers.

En dat was niet alleen in het centrum of in Stratford. In Greenwich, waar de paardensport plaatsvond, stond de afgelopen dagen een vrijwilliger mondharmonica te spelen terwijl hij het publiek de goede kant op wees. Een ander zong zijn instructies. Je kunt dan moeilijk chagrijnig blijven.

Het leuke was ook dat je in Greenwich de sporters in levende lijve tegenkwam. De ruiters zaten na afloop van de dag gewoon te eten bij de lokale Italiaan. Bij worstenmaker Heap’s zaten de Australische springruiters te lunchen. De pub tegenover de ingang deed helemaal goede zaken: daar vierden de Britse ruiters met hun staljongens en de paardeneigenaren hun overwinningen – de medailles nog om de nek.

Natuurlijk zijn er wijken waar je niets merkte van de olympische luchtbel. Waar het gewone Londense leven zijn gang ging. Maar zelfs vrienden die uit angst voor de chaos de stad hebben verlaten en met vakantie zijn gegaan, hadden door dat ze iets misten. Op Facebook lieten ze jaloerse berichten achter.

Daar profiteren de Paralympische Spelen van. De afgelopen dagen liep de kaartverkoop storm. Er zijn inmiddels 2,1 miljoen kaartjes verkocht – meer dan in Peking (1,8 miljoen), Sydney (1,2 miljoen) en zeker meer dan in Athene (850.000).

Ze beginnen op 29 augustus.

Titia Ketelaar