Het nut van spelen zonder nut

Pedagogiek Laat kleuters op school elke dag uren spelen zonder doel. Dat bepleit een psychologe die 47 kleuterklassen observeerde.

Kleuters imiteren elkaar snel. Schuift er in de gymzaal één met zijn buik over de vloer, dan zijn er drie die het nadoen. Seconden later ligt de halve klas. Laat er één heupwiegend van zijn stoel opstaan en er ontstaat zo een deinende meute.

Zo’n clubje loslaten is lastig, maar volgens de Leidse psycholoog Louise Berkhout (1952) gebeurt het niet genoeg. “Kinderen moeten elke dag tenminste een paar uur de kans krijgen om vrij te spelen”, schrijft ze in de dissertatie waarop ze vorige maand is gepromoveerd aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft dat leerkrachten bij dat spelen geen enkel doel moeten stellen, een visie die ingaat tegen het moderne meerderheidsstandpunt dat een heldere doelstelling vooraf nodig is voor efficiënt en effectief onderwijs.

Voor haar promotieonderzoek analyseerde Berkhout het vrije spel van 47 kleuterklassen op 20 scholen. Ze interviewde leerkrachten over het spel en de psychosociale ontwikkeling van kleuters en maakte een nieuwe indeling van kleuterspel in zeven categorieën. Hard empirisch bewijs ontbreekt, maar volgens Berkhout is met name het fantasiespel belangrijk voor de sociale ontwikkeling en om grote gebeurtenissen in het kleuterleven te verwerken. “We zagen een kind dat een paar keer na elkaar een begrafenis had meegemaakt. Ze speelde een week lang met andere kinderen ‘begrafenisje’, net zo lang tot het blijkbaar genoeg was. Uit andere studies weten we dat kinderen na een ziekenhuisopname eindeloos ziekenhuisje spelen. Zo kunnen kinderen iets verwerken. Dat bereik je niet als je kinderen laat spelen met een vooropgezet doel.”

Een schip van duplo

Zulke doelen vormen nu juist de kern van de programma’s voor voor- en vroegschoolse educatie (VVE), die volgens de minister alle kinderen van ouders met een laag opleidingsniveau zouden moeten bereiken. In een VVE-programma als Kaleidoscoop is het de bedoeling dat meesters en juffen peuters en kleuters vragen om een plannetje te maken van wat ze willen gaan doen (winkelspulletjes beplakken met prijsetiketten, een schip van duplo bouwen). Na afloop wordt besproken wat er van het plan terecht is gekomen. Kwamen jullie er samen uit? Wat doen die etiketten op je buik? Zou het schip dat je nu hebt gemaakt blijven drijven?

“Zo leren kinderen plannen maken en overleg voeren”, zegt Paul Leseman, hoogleraar orthopedagogiek aan de Universiteit Utrecht. “Ze hebben een doel en een plan in hun hoofd en moeten bijhouden hoe het spel ervoor staat. Voldoet het aan het oorspronkelijke plan? Of moet ik iets bijstellen?

“Deze vaardigheden zijn niet alleen belangrijk voor de sociaal emotionele ontwikkeling van kinderen, maar ook voor het geheugen, de flexibiliteit van het denken en de beheersing van impulsen. Ze hebben ook een positief effect op schoolse vaardigheden. Dat is in empirisch onderzoek overtuigend aangetoond.” Vorig jaar gaf de Canadese ontwikkelingspsycholoog Adele Diamond van dit onderzoek een overzicht in Science.

Toch zijn er twijfels over het effect van Nederlandse VVE-progamma’s. Onderzoek van onder anderen Paul Leseman heeft aangetoond dat voor- en vroegschoolse educatieprogramma’s op korte termijn een klein effect hebben, maar dat dit na een jaar of tien niet beklijft. Volgens Leseman is er niets mis met de Nederlandse opzet van de programma’s, maar laat de uitvoering te wensen over: “We hebben bekeken hoeveel tijd er nu werkelijk wordt besteed aan het spelen en werken in kleine groepen. We zijn ervan geschrokken hoe weinig dat gebeurt.”

Berkhout geeft een andere verklaring: “De VVE-aanpak berust erop dat een heel jong kind kan zeggen en uitspreken wat het van plan is, maar dat weet het van tevoren helemaal niet. Zo’n jong kind kan bijna niet tot bewustzijn brengen wat het over een paar minuten gaat doen. Dat is niet des kinds.”

In haar proefschrift schrijft Berkhout dat de tijd die in VVE-programma’s besteed wordt aan schools leren ten koste gaat van de vrije spelactiviteiten en dat kleuterleidsters en leerkrachten ‘onvoldoende bekend’ zijn met het belang van (vrij) spel voor de fysieke, cognitieve, emotionele en sociale ontwikkeling van kleuters.

Leseman is het met Berkhout eens dat kleuters niet te vroeg geconfronteerd moeten worden met schoolse vaardigheden als taal en rekenen. “Er is een trend in de samenleving om meer te verwachten van onze kinderen in schools opzicht”, zegt hij. “Maar dat hoeft niet te betekenen dat je steeds vroeger met schools leren moet beginnen. Dat is ook helemaal niet de bedoeling van de voor- en vroegschoolse educatieprogramma’s. Wel is het belangrijk dat kinderen in deze programma’s een basis leggen voor deze schoolse vaardigheden. Zo ontwikkelen ze hun kennis van taalklanken met behulp van liedjes en rijmpjes.”

Leseman heeft dus twijfels bij het nut van algehele vrijheid in de peuterspeelzaal of kleuterklas. “In ons observatieonderzoek zien we dat veel kinderen op de soms langdurige officiële vrije momenten doorgaans weinig interessante dingen doen. Lang niet alle kinderen gaan lekker in een hoekje zitten om samen een leuk fantasiespel op te zetten. Veel vaker zie je dat ze wat doelloos gaan rondlopen. Een spel suggereren, een doel stellen en zelf meedoen is vaak nodig.”

Een kwestie van geduld, meent Berkhout. “Als je kinderen echt vrijlaat dan lijkt het er aanvankelijk vaak op dat ze wat rondhangen, maar dat is niet nutteloos. Net als volwassenen hebben kinderen enige tijd nodig om erin te komen. Op onze video-opnamen kun je dat echt prachtig zien. Kinderen lopen een tijdje rond, zo van ‘wat zal ik eens gaan doen’. Dan beginnen ze met iets en vanaf dat moment komen ze op ideeën. Het is een scheppend proces waarin emotionele en sociale vaardigheden geoefend worden. Daarin moet je als volwassene niet sturen. Dat is heel belangrijk. Zo zagen we bijvoorbeeld het fantasie- of rollenspel steeds meer toenemen vanaf het begin van de speeltijd met een piek na twintig minuten. Kennelijk was er tijd nodig om hiermee op gang te komen.”

Variatie

Volgens Berkhout zit er in het spel van de kinderen die zij heeft onderzocht thuis en op school voldoende variatie. Uit vragenlijsten die zij leerkrachten en ouders liet invullen, concludeert ze ook dat het goed gaat met de psychosociale gezondheid van deze kinderen: het percentage kinderen met psychosociale problemen lag op de onderzochte scholen (waar veel vrij werd gespeeld) onder de 10 procent, een gunstige uitkomst in vergelijking met landelijke cijfers.

Desgevraagd erkent ze wel dat een hard oorzakelijk verband daarmee niet is aangetoond. Een probleem van Berkhouts onderzoek was dat er van de 87 scholen die zij benaderde, maar 20 aan het onderzoek mee wilden doen. “De overige scholen hadden andere prioriteiten”, vertelt ze. Het is mogelijk dat de 20 scholen die tijd konden vrijmaken voor het onderzoek, sowieso minder kinderen herbergen met psychosociale problemen. Berkhout: “Die andere scholen zeiden: ‘Rekenen en taal staan bij ons voorop, wij hebben geen tijd voor onderzoek naar het spelgedrag van onze kleuters.’ Of het op dit soort scholen met de psychosociale gezondheid van kinderen minder gesteld is, hopen we nog te onderzoeken.”