Een geile kop voor de christelijke huisvrouw

De krant is misschien geen meneer meer, maar toch ook nog geen schutting?

Een lezer klom in de pen na de kop Christelijke huisvrouwen geilen op hun eigen echtgenoot (Media, 16 juli), boven een stuk over de Amerikaanse tv-serie Good Christian Bitches. „Wie krijgt zoiets uit zijn pen?” En: „Het is van een ordinaire smakeloosheid waar je broek van afzakt, om in dezelfde sfeer te blijven.”

Tja, het is wel een platte kop. De combinatie christelijk en seks is blijkbaar nog altijd goed voor schoolkranthumor. Maar de lezer ergerde zich vooral aan het gekozen werkwoord. Moet dat nou?

Nu is het onwelvoeglijke bijvoeglijk naamwoord ‘geil’ allang geen taboe meer in de krant; maar gelukkig ook geen schering en inslag.

In de eerste zeven maanden van dit jaar gebruikte deze krant het elf keer, het jeugdiger nrc.next vier keer. Het werkwoord ‘geilen’ kwam twee, respectievelijk één keer voor. Geil figureerde in een artikel over een erotische roman; in een column van Stine Jensen; een column van Margriet Oostveen; een column van Joyce Roodnat; twee van Youp van ’t Hek; o ja, ook nog in een stukje over een andere tv-serie, The Bridge (met deze onverbiddelijke stijlbloem: „Als ze denkt dat ze geil is, voelt ze in haar broekje om bevestiging te zoeken”).

In die columns gaat het dan vaak om opsommingen die moeten aangeven hoe opwindend iets of hoe opgewonden iemand is („suggestief, geil, uitdagend” of „gul, geil en vol zelfspot”, „hitsig, opgewonden, geil”). Het is kennelijk in de mode onder columnisten.

Het woord komt ook voor in een, ja, prikkelende column van Marjolijn Februari. Zij schrijft over de opkomst van stoere, trendy onredelijkheid onder de elite (Hoge, onredelijke klasse, 2 april). Een citaat: „Onredelijkheid oogt ook heel spannend. Moedig. Geil. Sensationeler dan het afwegen van argumenten en belangen. Het probleem is alleen wel dat al die onredelijkheid onder nette mensen langzaamaan leidt tot aantasting van hun gezag.”

Asjemenou – alsof ze het over die kop in de krant heeft!

Het heeft inderdaad iets stoers om straattaal te gebruiken; en juist voor redacteuren van een ‘nette’ krant als NRC Handelsblad is dat kennelijk soms onweerstaanbaar. Kijk mij eens, aan mijn bureau, street credible zijn. Zoals Koot en Bie ooit een correct sprekende staker aan de fabriekspoort vroegen of hij weleens „uit zijn bek spuugt”, zoals arbeiders dat zo stoer kunnen. Zulke taal is, met andere woorden, een nogal burgerlijke vorm van antiburgerlijkheid.

Trouwens, dat is niet iets van de laatste tijd. Tien jaar geleden, in de eerste helft van 2002, haalde ‘geil’ ook al elf keer de krant. Maar: tien jaar dáárvoor, in 1992, maar twee keer (en dan nog één keer in een stuk van Jan Wolkers). Sindsdien is de krant dus ietsje geiler geworden – zoals de hele samenleving.

Tien jaar terug dook het woord vooral op in persoonlijke stukken: recensies, een opiniestuk en een ingezonden brief. En vaak indirect: in een recensie van het boek De puinhopen van acht jaar Paars stipte Hubert Smeets aan dat ‘geil’ een favoriet woord was van Pim Fortuyn.

Op de nieuwspagina’s kwam je het niet tegen, behalve in een huiveringwekkend verslag van een rechtszaak wegens groepsverkrachting door Marokkaanse jongens in Amsterdam-West (Dit is normaal toch? 5 januari 2002). Ook toen klom een lezer boos in de pen, en dat leverde dan weer een ingezonden brief op met een extra vermelding van het woord geil. De lezer vond het verhaal maar „een walgelijke pornovertelling”.

Dat ben ik, zeg ik tien jaar later stoer, niet met hem eens. Dat stuk, van Ahmet Olgun, was schokkend, maar juist omdat het zo’n inzicht gaf in de verwrongen gedachtenwereld van de daders. Dat was geen spierballenproza of effectbejag, maar gewoon goede verslaggeving.

Ook in 2012 wordt het woord vooral gebruikt in columns, en dan nog vaak in een staccato opsomming, als een toetje na het hoofdmenu. Je kunt het ook overslaan.

Het valt dus best mee – of niet?

Februari maakt in elk geval een goed punt: wie te vaak of te graag stoer doet met schutting- of straattaal, ondermijnt zijn eigen gezag. Dat geldt ook voor journalisten.

Natuurlijk is het taalgebruik in de samenleving in het algemeen sterk veranderd, en een stuk informeler of zelfs grover geworden: het drieletterwoord dat begint met een ‘k’ is al zo’n beetje synoniem met ‘ja, heel vervelend’. Het zou bizar zijn als dat helemaal niet zijn weerslag vindt in de krant. Maar een kwaliteitskrant heeft nog altijd de taak om ook grenzen te stellen aan taalgebruik: journalisten moeten concreet en helder, maar geen plat of opzichtig Nederlands schrijven.

De kop die aanleiding was voor die ingezonden brief, met die christelijke vrouwen, was trouwens ook een beetje misleidend. Wie het artikel las, kwam er al snel achter dat de kop sloeg op één vrouw, en die gold als de ergste van het stel. Maar ook als variatie op lollige T-shirtopschriften als ‘Brave meisjes komen in de hemel, stoute meisjes overal’ werkt het niet echt, vond ik. De droge algemene bewering wekte eerder de indruk dat er net een oh-la-larapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau was verschenen.

En dan begrijp je weer niet waarom het pas op pagina 33 staat.