Criticus van ‘officiële’ kunst

Met zijn werk en ‘opgewekte leerboeken’ over kunst irriteerde schilder en criticus Diederik Kraaijpoel de gevestigde kunstwereld. De tijd gaf hem gelijk.

Foto Sake Elzinga

Diederik Kraaijpoel, die woensdag op 83-jarige leeftijd overleed, schilderde en tekende onherbergzame rots- en woestijnlandschappen die hij zelf ‘romantische natuurtaferelen’ noemde. Toen hij ze begin jaren zestig voor het eerst tentoonstelde, werden ze door veel mensen als deprimerend ervaren. Daar willen we niet naartoe met vakantie, kreeg hij te horen.

Kraaijpoel memoreerde het in 2005 bij de opening van zijn tentoonstelling in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem. „Veel van de bezoekers van toen zijn intussen doodgegaan. Nu is er gelukkig een nieuwe generatie kijkers naar Kraaijpoel, die gewend zijn aan nieuwsbeelden die veel deprimerender zijn dan mijn schilderijen, en die bovendien een ander idee hebben van vakantie.”

Kraaijpoel kon onderhoudend vertellen. Behalve schilder was hij van 1961 tot 1993 docent op de Academie Minerva in Groningen, en hij doceerde op papier. Hij schreef kunstkritieken voor HP/De Tijd, Kunstschrift en De Groene Amsterdammer en publiceerde vijf boeken. Net als zijn schilderijen wekten die weerstand op. Kraaijpoel nam in zijn geschriften de officiële kunstwereld onder vuur. In De Nieuwe Salon (1989) betoogde hij dat er veel meer en vaak interessantere hedendaagse kunst is dan de musea ons voorschotelen. Er is niet één kunstgeschiedenis, er zijn er vele. Des te gekker vond hij het dat veel museumdirecties, kunsthistorici en critici zo vasthouden aan de officiële modernistische lijn, aan de traditie van het breken met tradities.

Sinds 1989 gaat het er in de kunstwereld steeds minder rigide aan toe. In kranten en tijdschriften wordt een grotere verscheidenheid aan kunst besproken dan 25 jaar geleden. Niet Kraaijpoels verdienste, maar hij droeg er wel toe bij.

Na De Nieuwe Salon schreef hij Was Pollock kleurenblind? (1997) en Reputaties (2001). Het is een trilogie die iedere academie- en kunstgeschiedenisstudent zou moeten lezen. Omdat je ervan leert dat je eigenwijs moet zijn, dat er veel meer moois te maken en te bestuderen is dan de kunst die docenten, commissieleden en toonaangevende critici belangrijk vinden. Ook blijkt uit Kraaijpoels boeken dat je niet in kunstjargon hoeft te schrijven, dat het helder en met gevoel voor humor kan. Kraaijpoel had een geestige, Karel van het Reve-achtige toon. Hij bewaarde het evenwicht tussen stelligheid en relativering. „Aan slechte kunst is nog geen mens doodgegaan”, schreef hij. „Toch kan het geen kwaad als er bij tijd en wijle iets van gezegd wordt. Niet dat het helpt, maar het geeft een beetje afwisseling.”