China achterna? Nee, Britten zijn een beter voorbeeld

De prestaties op de Spelen vielen in het begin wat tegen, maar Nederland revancheerde zich. Hoe staat topsport ervoor in ons land? „Topsport betekent keuzes maken, ook als het om de verdeling van geld gaat.”

Ranomi Kromowidjojo, Epke Zonderland, Dorian van Rijsselberghe en Marianne Vos waren deze Spelen de gezichten van Nederland. Zij wonnen individueel goud. Ieder in grootse stijl, in mondiaal competitieve sporten. Zijn zij de exponenten van een sterk sportland? Of is Nederland een sportief moeras? Hoe staat topsportland Nederland er na deze Spelen voor? De conclusie van vier kenners: het gaat goed, maar het moet beter.

Zwemcoach Jacco Verhaeren concludeert dat de sporten waarin chef de mission Maurits Hendriks extra heeft geïnvesteerd die uitzonderingspositie hebben waargemaakt. Joop Alberda, voorheen technisch directeur van sportkoepel NOC*NSF, wil meer aandacht voor weggezakte teamsporten. Tafeltennisster Elena Timina, de voormalige Russin die na ‘Londen’ bondscoach wordt, vindt het schrijnend hoe slecht Nederlandse talenten worden opgeleid. En Maarten van Bottenburg, hoogleraar sportontwikkeling, pleit voor meer intensieve samenwerking tussen sport en wetenschap.

Hoe zijn de

Spelen voor Nederland verlopen?

Jacco Verhaeren: „Er zijn meer kansen benut dan gemist. Dan mag je spreken van succesvolle Spelen. Als ik kijk naar mijn sport zwemmen, denk ik niet dat we medailles hebben laten liggen. Het is fantastisch dat we weer een olympisch zwemkampioen in ons midden hebben. Misschien dat alleen het roeien is tegengevallen.”

Joop Alberda: „Het lijkt erop dat we rond de negentien of twintig medailles gaan halen. Het is bijzonder dat we veel loten die we in de loterij hadden, gaan verzilveren. We hebben de afgelopen jaren aangetoond bij wereldsporten als turnen, atletiek en zwemmen kampioenen te kunnen voortbrengen. De vraag is nu hoe we, in navolging van de ‘medaillefabriek’ bij het zwemmen, voor turnen en atletiek ook organisaties kunnen optuigen die toppers kunnen afleveren.”

Elena Timina: „Wat mij betreft zijnde Spelen goed verlopen. Ik denk dat we meer kansen op medailles hadden dan in Peking. Volgens mij is de basis breder geworden: je ziet meer sporters in meer verschillende sporten bij de top komen.”

Maarten van Bottenburg: „De Spelen begonnen in een zurige sfeer door de erfenis van het EK voetbal en de Tour. Het niveau is zo hoog, dat je denkt: hoe is het mogelijk dat Nederland überhaupt nog mee kan doen. Als je in de internationale wereldtop bij het zwemmen en turnen de besten ter wereld kunt voortbrengen, is dat een enorme prestatie.”

Wat is er ten goede veranderd in de Nederlandse sport?

Verhaeren: „Invoering van het fonds voor coaches, die nu fulltime kunnen werken. De tijd van vrijwilligers is voorbij. De verbeterde faciliteiten, zeker in het zwemmen. En de wetenschappelijke ondersteuning. Wij werken in Eindhoven nauw samen met InnoSportNL. Een nationaal wetenschappelijk sportinstituut zoals in Australië is mooi, maar daar moet je je niet op blindstaren. In het zwembad hebben de Australiërs weinig indruk gemaakt. Dat geldt ook voor Groot-Brittannië. Wij hebben met een budget van 1,5 miljoen euro beter gepresteerd dan de Britse zwemmers met 25 miljoen pond [kleine 32 miljoen euro].”

Alberda: „De begeleiding van de sporters op het hoogste niveau is beter geworden. NOC*NSF speelt een belangrijke rol, haalt de internationale kennis beter binnen. De rivaliteit die je vroeger nog had tussen sportbonden en NOC is helemaal weg. NOC heeft het primaat als kenniscentrum van de internationale topsport.”

Timina: „Het is veel professioneler. De voorbereiding op de Spelen, de serieuze aanpak van het vak zelf. Elke sporter die ik tegenkom in het olympisch dorp is fulltime professional. Er zitten geen toeristen tussen.”

Van Bottenburg: „De werkomstandigheden voor de coaches en de technische topsportprogramma’s. Die zijn kwalitatief vergelijkbaar met andere programma’s ter wereld. Helaas niet bij alle takken van sport. Bij handbal, volleybal en basketbal valt nog veel te verbeteren.”

Wat zou er in de toekomst

moeten veranderen?

Verhaeren: „De voorkeurspositie van succesvolle sporten moet worden voortgezet. Het is geen toeval dat er in sporten als zwemmen, wielrennen, hockey, judo, zeilen en paardensport goed is gepresteerd. Ik ben niet voor een brede investering. Topsport betekent keuzes maken, ook als het om de verdeling van geld gaat. Dat lijkt zwart-wit, maar kleine sporten moeten met particuliere steun eerst bewijzen dat ze goed zijn. Ik ben in 1992 ook begonnen met steun van de Stichting Topzwemmen Zuid-Nederland. Daaruit zijn wel Pieter van den Hoogenband, Inge de Bruijn en Marcel Wouda voortgekomen.”

Alberda: „Aan de coachingkant kan het altijd beter. In de opleiding en de internationale oriëntatie van onze bondscoaches valt nog wel een slag te maken omdat de Nederlandse sport toch onder wereldniveau opereert, behalve bij hockey, korfbal, paardensport en schaatsen. Verder vind ik dat we echt een keuze moeten maken voor de teamsporten. We hebben aangetoond dat we met volleybal, handbal, honkbal en waterpolo op het hoogste niveau kunnen presteren. Wij waren tussen 1996 en 2004 marktleider in de teamsporten. Nu heb je alleen de hockeyers nog over. NOC*NSF en de overheid zouden kunnen zeggen: wij vinden het belangrijk dat de olympische ploeg bestaat uit individuele sporters én teamsporters, waarmee groepen in de maatschappij zich kunnen identificeren.”

Timina: „De begeleiding van jonge sporters, op weg naar de top, moet veel beter. Als wij echt een topsportland willen worden, is het belangrijk dat er goede jeugdtrainers worden opgeleid. Daarin lopen wij achter. Dan heb ik het niet over de breedtesport of schoolsport, maar over topsport voor de jeugd. Er zijn heel weinig goede clubtrainers voor spelers tussen 5 en 15 jaar. Kinderen die nu intern op Papendal zitten hebben al zoveel aangeleerde technische fouten dat het heel moeilijk is om ze nog te veranderen.”

Van Bottenburg: „De talentontwikkeling kan beter. Maar dan in goede balans met het onderwijs. Daarmee moeten we zorgvuldig omgaan. Het onderwijs moet niet ondergeschikt aan de topsport zijn. Sporters moeten bij een gedwongen afscheid een maatschappelijk vooruitzicht hebben. Ik zou graag zien dat de boete voor langstudeerders niet geldt voor topsporters. Het is oneerlijk om van topsporters te verlangen dat ze succes op wereldniveau behalen, maar vervolgens de rekening krijgen gepresenteerd. Verder moet de maatschappelijke ondersteuning verbeterd worden. Op dat gebied lopen we echt achter bij de wereldtop..”

Aan welke landen of welke werkwijzen in andere landen zou Nederland een voorbeeld moeten nemen?

Verhaeren: „We moeten het op onze eigen manier blijven doen. En bekijken welke succesvolle elementen we van andere landen kunnen gebruiken. Nee, ik zie China evenmin als voorbeeld. Nederland is te klein om dat model te kopiëren.”

Alberda: „Aan Londen kun je zien wat voor speciale energie er in de samenleving loskomt door de Spelen. Dat is toch wel iets heel bijzonders.”

Timina: „China. Dat land is niet alleen leidend in het tafeltennis, maar in heel veel sporten. Dat komt door het sportsysteem: alle kinderen doen aan sport, alle kinderen krijgen de mogelijkheid om professioneel begeleid te worden. Kinderen met veel talent krijgen meteen de beste professionele begeleiding. En de topsport wordt gedragen door de regering, net als in mijn tijd in de Sovjet-Unie. Ik weet wel dat er in Nederland andere prioriteiten gelden voor de verdeling van geld, maar aan de andere kant: topsport zonder geld kan niet.”

Van Bottenburg: „Groot-Brittannië is state of the art. Natuurlijk met dank aan de Spelen, maar daar kun je zien hoe het topsportklimaat verbeterd kan worden. Nee, China is geen model waaraan Nederland zich moet spiegelen. Het maakt de Chinezen niet veel uit als kinderen uit schoolbanken of gezinnen worden gehaald. Evenmin dat 99 procent afvalt. Het gaat in China slechts om die één procent winnaars. De Verenigde Staten? Evenmin een goed voorbeeld. Die hebben geen verenigingsstructuur en geen topsportstructuur. Daar heerst een soort anarchistisch systeem, dat in combinatie met de markteconomie goed werkt.”

Waar zou de sport meer geld voor moeten hebben?

Verhaeren: „Geld moet ruim ingezet worden. In programma’s, trainingskampen en faciliteiten. Ja, ik vind dat er meer geld in de topsport geïnvesteerd moet worden. We moeten toewerken naar die 200 miljoen per jaar, waar de studie ‘toptien’ van NOC*NSF op uitkwam. Dat hoeft niet morgen, maar over een jaar of vier tot zes. Met overheidsgeld. En ja, dat is maatschappelijk aanvaardbaar.”

Alberda: „De grootste zorgen betreffen de kwaliteit van de coaches. Volleybal is een eenmalig succes geweest, maar we waren twintig jaar aan de top. Daarna zijn we het spoor kwijtgeraakt. Ook in de teamsporten zijn er voorbeelden van olympische successen na zeven of tien jaar investeren. In 2001 zijn de honkballers begonnen, tien jaar later waren ze wereldkampioen. De waterpolosters zijn in 2001 begonnen, die waren zeven jaar later olympisch kampioen. Het kan dus in bijna elke tak van sport.”

Timina: „Bij het nationale tafeltennisteam hadden wij genoeg geld, wij konden doen wat we wilden. Maar deze generatie heeft geen mogelijkheden om buitenlandse toernooien te spelen, drie of vier per jaar. Je moet goeie buitenlandse sparringpartners hebben, je moet goeie professionele coaches hebben voor de jeugd.”

Van Bottenburg: „Ik denk vooral aan de topsportprogramma’s. Dat de zeilers jarenlang in Weymouth verbleven en daar over alle faciliteiten beschikten, is een belangrijk onderdeel van hun succes geweest.”