Brieven over schoonheid in de kunst

De nieuwe Rembrandt kan niet tekenen

Zoals Pepijn Vloemans zo treffend verwoordde, zal het programma De nieuwe Rembrandt inderdaad nooit een nieuwe Rembrandt voortbrengen (Opinie&Debat, 4 augustus).

Rembrandt was een kunstenaar die zijn vak beheerste. Hij kon tekenen, graveren, had verstand van anatomie, kon schilderen en had verstand van verf. Hij is in de leer geweest bij meesters en heeft zich verdiept in de basisvaardigheden van het kunstenaarsvak. Want kunstenaar zijn was een vak, een kunde.

En dat is wat vandaag de dag veelal ontbreekt. Kunstenaar zijn is geen vak meer. Het is hoogdravend en ongrijpbaar geworden. Men heeft weinig kennis en kunde, en tekenen kan men vaak al helemaal niet. Het gebrek aan schoonheid van de werken valt in het programma inderdaad op. In Nederland blijft schoonheid verdacht. Schoonheid duidt op gebrek aan inhoud.

Moeten we in deze tijd die vergelijkingen met de zeventiende eeuw aangaan? Moeten we meesterwerken kunnen maken met die kwaliteit en kunde? Kunnen we dat überhaupt nog? Ik heb zo mijn twijfels. Maar waarom dan die titel van het programma? Er is blijkbaar toch behoefte aan kwaliteit, aan vakmanschap in relatie tot schoonheid.

Robin Lutz

Den Haag

Kunst gaat nu niet meer over schoonheid

Pepijn Vloemans pleit voor meer schoonheid in de beeldende kunst. Dit plan, waarin kunstenaars megastallen voorzien van „frivole motieven”, getuigt van weinig kennis van het kunstdiscours van de afgelopen zestig jaar. Met zijn betoog voor de terugkeer naar ambachtelijkheid en schoonheid negeert hij de gehele kunstgeschiedenis van na de Tweede Wereldoorlog, veegt in één haal de conceptuele kunst van tafel, en doet bovendien suggesties voor een vorm van kunst die op geen enkele manier uitstijgt boven decoratie. Er is niks mis met schoonheid in de hedendaagse beeldende kunst, maar Vloemans verwart middel met doel.

Het werk van een kunstenaar dient bekeken te worden in de context van de tijd waarin hij werkt. Grote kans dat Rembrandt zelf, als hij had kunnen meedoen, niet de nieuwe Rembrandt was geworden.

Bas Hendrikx

Amsterdam

Verdient soms alleen schoonheid subsidie?

Het is een bekende opvatting: kunst is bedoeld om de mensheid middels schoonheid te behagen en ‘ergens in de twintigste eeuw’ zijn kunstenaars hier helaas mee opgehouden, resulterend in interessantdoenerij waardoor het niet verwonderlijk is dat men er geen gemeenschapsgeld aan wil spenderen. Maar ‘schoonheid’ is een moeilijk begrip. Wat voor schoonheid spreekt er bijvoorbeeld uit de voorstellingen van de hel van Hieronymus Bosch, uit talloze verbeeldingen van de kruisiging of uit Goya’s schetsen van oorlogsgruwelen? Het hanteren van het begrip alsof eenieder wel weet wat daarmee bedoeld wordt, is naïef.

Nog een misverstand is dat kunst een tijdloze eenduidige functie zou hebben: het ambachtelijk creëren van schoonheid. De prehistorische beeldjes van ronde vrouwen waren aanvankelijk niet bedoeld als kunst, maar gemaakt om vruchtbaarheid op te roepen. Tegenwoordig beschouwt menigeen ze als kunst.

Vloemans roept de Nederlandse kunstenaars op om de lelijke plekken in het land via kunst op te schonen en zo weer publieke sympathie en daarmee recht op subsidie te verkrijgen. Hoewel ludiek bedoeld, toch klinkt in deze oproep de grimmige houding ten opzichte van kunstenaars door: de kunstenaar moet leveren wat het grote publiek behaagt en pas dan komt hij in aanmerking voor subsidie.

Jaïr Stranders

Filosoof, theatermaker en -docent, Amsterdam