Alle planten de lucht in

Verticaal tuinieren is een groeiende trend. En niet alleen onder flatbewoners.

Galeries Lafayette in Berlijn. Patrick Blanc

De eenvoudigste manier van verticaal tuinieren? Timmer een rek aan de muur en haak er potten met dertien petunia’s, zeven slakroppen en vier aardbeiplanten aan. Laat vervolgens een klimmer als druif, kamperfoelie of clematis de rest van de wand bedekken en klaar is Kees. Het kan ook grootser door elke centimeter muur van uw woning aan te pakken en hem van top tot teen groen te stofferen. Niet alleen pragmatisch, ook een nieuwe trend.

De Franse botanicus Patrick Blanc is geestelijk vader van dit groene bekleden. Hij werd geboren in 1953 en werkt voor het Centre National de la Recherche Scientifique in Parijs. Blanc bestudeerde de verticale vegetatie in tropische regenwouden en kopieerde die naar moderne hoogbouw. Overal waar ruimte en groen schaars zijn (zeg maar in alle steden ter wereld) slaat het aan. Sinds 1998 schreef Blanc talloze ‘groene muurprojecten’ op zijn naam, van de Galeries Lafayette in Berlijn tot de Franse ambassade in New Delhi en skyscrapers in Singapore. Navolgers passen het verticale tuinieren wereldwijd toe, ook in Nederland.

Maar is Blanc werkelijk de bedenker van zo’n groene muur, plantengevel of levende façade? Velen gunnen liever de Amerikaan Stanley Hart White de eer, omdat hij al rond 1935, als professor landschapsarchitectuur aan de Universiteit van Illinois, een systeem van opgestapelde plantenbakken uitvond; die noemde hij in de wandeling ‘Botanical Bricks’, botanische bakstenen. Het concept was zo revolutionair dat Stanleys broer E.B. White – vermaard essayist van The New Yorker en kinderboekenauteur – er in 1937 vol scepsis over schrijft aan zijn echtgenote: „Ik denk dat iedereen gekke broers of zusters heeft. Ik in ieder geval wel. Stan heeft een patent genomen op zijn uitvinding die hij ‘Botanische Bakstenen’ noemt; dat zijn plantenbakken die je tot op elke hoogte kunt opbouwen, om snel een landschappelijke sfeer te creëren. Het oppervlak wordt dan bedekt door bloeiende klimplanten en zo. Hij denkt dat zijn idee erg geschikt is voor wereldtentoonstellingen, stadspleinen en binnentuinen. Maar wie weet, misschien heeft hij hier wel iets te pakken.”

Stanley Hart White maakte prototypes van zijn even eenvoudige als briljante uitvinding en patenteerde de boel als ‘Vegetation-Bearing Architectonic Structure and System’. Laten we het er maar op houden dat Patrick Blanc het concept oppakte, afstofte en uitbreidde.

Babylon

Sinds de mythische, hangende tuinen van Babylon weten we al dat je groen spul kunt laten bungelen. Volgens het oude verhaal gaf koning Nebukadnezar in de zesde eeuw voor Christus opdracht tot fikse verticale groenvoorziening om zijn vrouw Amytes te troosten. Deze Amytes kwam uit de bergen en miste haar vegetatierijke omgeving deerlijk. Geen punt voor de koning, die een reeks terrassen liet aanleggen, omringd door muren waarop lover werd geplant, bevloeid door onderaardse kanaaltjes. Optisch ‘hingen’ de tuinen boven de rivier de Eufraat.

Qua romantiek halen de strakke, verticale tuinen het niet bij die van Babylon, noch bij andere voorlopers van groen behangsel, zoals in wingerd gehulde landhuizen of kasteeltjes bijeengehouden door ‘ivy-clad walls’, muren gehuld in klimop. Maar dat zal de naar groen smachtende wereldstadbewoner een rotzorg wezen: dankzij White/Blanc leeft hij in het groen, of heeft hij uitzicht op iets groens, zowel op de vierde als op de vierenzeventigste verdieping. En die verdieping blijft koeler in de zomer, warmer in de winter, en als meneer of mevrouw tuinarchitect koos voor eeuwig groene planten, komt er ook nog eens een hele hoop meer zuurstof in de lucht.

De planten van groene muren moeten worden gevoed en gelaafd als eens in Babylon. Dat gaat het simpelst wanneer je kiest voor klimplanten die met hun pootjes beneden in de aarde staan, alwaar ze ook regen ontvangen. De modernere groene muren of façades hebben de aarde mee omhoog genomen: die zit – à la het concept van White – in bakken of zakken; planten en aarde worden jaarlijks één keer ververst. Nadelen zijn het onderhoud, het gewicht, en het feit dat de aarde uit de bakken kan waaien of spoelen. Begrijpelijkerwijs wordt dit systeem ook niet aanbevolen voor toepassing in gebieden waar aardschokken voorkomen.

Het kan nog moderner: een ‘green wall’ in de officiële betekenis van het woord is een vrijstaande, meters hoge dikwijls stalen constructie. Het ‘groen’ (nu ja, groen?) bestaat dan uit bekleding van pvc-platen en een dikke textielmat, waaraan de vegetatie zich hecht. Aarde komt er niet meer aan te pas: de planten leven dankzij hydrocultuur; via circulerende irrigatiesystemen krijgen ze vocht toegediend waarin voedingsstoffen zijn opgelost. Ook bestaan er verticale tuinen met nog veel meer ingebouwde techniek, bedoeld om mee te helpen de zuurstofkwaliteit te verbeteren in de luchtcirculatiesystemen van het gebouw waar ze tegenaan groeien.

Net als met een horizontale tuin kun je met verticale vlakken eindeloos variëren. ‘Eetmuren’ (verticale moes- en kruidentuinen) zijn behoorlijk populair, net als bloeiende wanden of scheidingsmuren die binnenshuis staan, zoals in bibliotheken of privéwoningen. Een groene wand die direct mijn sympathie opwekte vanwege zijn aardse eenvoud staat in Tokio. Aan een lagere school aldaar laat men ’s zomers immense planten van bittere meloenen langs de muren klimmen, wel vier etages hoog. Licht-, geluid- en warmtedempend is dit een doeltreffende klimaatbeheersing met levend materiaal. Al deze groene façades, verticale tuinen of biowanden hebben een wetenschappelijke verzamelnaam gekregen: VCW’s, oftewel vertical vegetated complex walls. Dan klinkt hangende tuin toch aardiger.