Voorkeurstem heeft weinig zin

Betrokken burgers stemmen graag op een ander dan de lijsttrekker, vooral om vrouwen en allochtonen het parlement in te krijgen. Dit heeft alleen niet zo veel zin. De kandidaten op wie deze burgers stemmen, zouden toch al worden verkozen, betogen Rudy B. Andeweg en Joop van Holsteyn.

Met de Tweede Kamerverkiezingen op komst zal het debat over de personalisering van de politiek ongetwijfeld oplaaien. De politiek draait om personen en bij verkiezingen is het bovenal de lijsttrekker die een partij kan maken of breken, is het idee. Deze hardnekkige indruk is aanwezig onder in elk geval campagneleiders, politici en journalisten.

Het merkwaardige is evenwel dat juist steeds minder kiezers hun stem uitbrengen op een lijsttrekker. In de Nederlandse context wordt zo’n stem op een andere kandidaat dan de lijsttrekker een voorkeurstem genoemd. Meer en meer kiezers maken van deze optie gebruik.

Bij de eerste naoorlogse verkiezingen ging het om minder dan 5 procent en in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw om 5 tot 10 procent voorkeurstemmen, met een enkele uitschieter in 1986. Vervolgens begon in 1994 de opmars van de voorkeurstem, met als voorlopig hoogtepunt het roemruchte verkiezingsjaar 2002, toen niet minder dan 27 procent van de kiezers koos voor een andere persoon dan de lijsttrekker. Voor het eerst in de geschiedenis was er toen een partij waarvan meer dan de helft van de kiezers een voorkeurstem uitbracht: de VVD. In 2006 trokken de lijsttrekkers van twee partijen – de VVD en D66 – minder dan de helft van de op hun partij uitgebrachte stemmen. Het totale percentage voorkeurstemmen uit 2002 is nog altijd het record, maar gemiddeld stemt ongeveer een op de vijf kiezers tegenwoordig niet op een lijsttrekker. Dit hoopt zich op tot een forse berg voorkeurstemmen.

Het gevestigde vermoeden dat vrouwelijke kiezers een voorkeurstem op vrouwelijke kandidaten uitbrengen, is juist – althans deels. Geslacht is inderdaad het meest relevant, maar ook andere achtergrondkenmerken doen ertoe. Zo blijken kiezers vaker een voorkeurstem uit te brengen naarmate ze jonger zijn en een hogere opleiding hebben genoten. De voorkeurstem is zeker geen dorps of plattelandsverschijnsel. In de meest verstedelijkte omgeving worden relatief de meeste voorkeurstemmen geteld.

Boeiender dan verbanden met achtergrondkenmerken zijn de relaties tussen politieke houdingen en opvattingen en het uitbrengen van een voorkeurstem. Meer voorkeurstemmen worden uitgebracht naarmate kiezers meer politieke interesse, een grotere politieke kennis en vooral meer politiek zelfvertrouwen hebben. Voorkeurstemmers lijken politiek en electoraal bewuste burgers te zijn. Ze wensen van het uitbrengen van hun eigen stem een serieuze zaak te maken en prefereren niet klakkeloos de lijsttrekker.

Als dit het idee is van die voorkeurstemmers, stuiten we vervolgens evenwel op een merkwaardig verschijnsel. Voorkeurstemmen gaan vooral naar zittende politici, kandidaten die hoog op de lijst staan en vrouwelijke en allochtone kandidaten, maar de verbanden met geslacht en etniciteit blijken zwak. Van verband met geografische nabijheid is al helemaal geen sprake.

Niet zozeer vrouwen of leden van etnische minderheden in hun algemeenheid mogen rekenen op een voorkeurstem, maar vooral vrouwelijke en allochtone kandidaten die heel hoog op de lijst staan. De hoogst geplaatste vrouw, de hoogst geplaatste allochtoon en andere kandidaten die in de topacht van de lijst staan – die blijken voorkeurstemmen te ontvangen. Dit zijn nou net de kandidaten die toch al de gang naar de Kamer zouden mogen maken, juist vanwege hun hoge positie op de lijst!

In 2010 werden twintig van de honderdvijftig Tweede Kamerleden met voorkeurstemmem verkozen. Dit klinkt indrukwekkend, maar van die twintig waren er achttien toch wel in de Kamer gekomen. Slechts twee Kamerleden hadden hun verkiezing uitdrukkelijk te danken aan het aantal verkregen voorkeurstemmen. Alleen Pia Dijkstra (D66) en Sabine Uitslag (CDA) werden op deze wijze het parlement in geholpen. Twee van de twintig kandidaten behaalden dus voldoende effectieve voorkeurstemmen. Dit is een bepaald magere score van een op tien.

Wat bezielt kiezers die, geïnteresseerd en betrokken als ze zijn, hun stem niet uitbrengen op de lijsttrekker? Misschien kennen ze de werking van ons kiesstelsel niet. Anders lijkt het er sterk op dat sprake is van expressief gedrag. Stemmen is voor deze kiezers een vorm van zelfexpressie, meer dan een vorm van instrumenteel gedrag om laaggeplaatste kandidaten de Kamer in te krijgen.

Hier is op zichzelf niks op tegen, maar als die zo betrokken kiezers daadwerkelijk meer vrouwen, allochtonen of wie dan ook het parlement in willen loodsen, is het uitbrengen van een voorkeurstem op een toch al kansrijke kandidaat nogal futiel. Zo’n blijk van steun voor kandidaten uit bepaalde groepen en met specifieke kenmerken is heel mooi hoor, maar op deze manier heeft het uitbrengen van een voorkeurstem geen zin. Dan blijft het een even bewuste als ineffectieve vorm van kiesgedrag en regeert de dichter Willem Kloos de politiek: stemmen als de aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie.

Prof. dr. Rudy B. Andeweg en prof. dr. Joop van Holsteyn zijn verbonden aan het Instituut voor Politieke Wetenschap aan de Universiteit Leiden. Het uitgebreide onderzoeksverslag naar voorkeurstemmen is verschenen in Res Publica, 54/2, 2012.