Traag rijdt de trein dwars door het verdrietloze land

Michael Krüger: Voor het onweer. Vertaald door Cees Nooteboom. De Bezige Bij, 192 blz. € 22,90 **

In een van zijn gedichten vertelt Michael Krüger hoe hij vanuit het raam een trein ziet aankomen. Hij ziet eruit als ‘een roestig insect met wijdopen ogen.’ Daarop volgt meteen nog een beeld: ‘Hoe lichtjes trekt hij zijn doodskisten / door het o zo zonnige dal!’

Het klinkt vrolijk, als een meezingregel uit een kinderliedje, maar die doodskisten maken de zaak minder kinderlijk. Bij die doodskisten zie ik de wagons van een goederentrein voor me. Krüger gaat ze tellen – typisch iets voor iemand die niks te doen heeft en maar wat uit het raam zit te kijken. ‘Eenentwintig, tweeëntwintig…’ En dan vraagt hij zich af: ‘Zijn ze vol of leeg?’

Even dringt zich een horrorbeeld op (een dodentrein, een deportatietrein), maar de vraag wordt niet beantwoord. De trein laat nu sissend wat rook ontsnappen, maar ook daar valt geen betekenis aan toe te kennen. Het is voor de dichter vooralsnog ‘een onduidelijke boodschap’ die daar naar hem komt toegewaaid. Het lawaai zorgt ervoor dat hij de muziek, een cellosuite, uit zijn radio niet goed meer kan horen. Hij moet de radio harder zetten en hoort dan pas, op de achtergrond, ‘de hijgende adem van de cellist.’

Daarmee is dit korte rijmloze gedicht afgelopen. Wat moet je ermee? Veel meer dan een notitie is het niet. Het terloopse arrangement, waarin het zware sissen van de trein wordt overgenomen door het zware ademen van de cellist, is wel aardig. Even gaan ze een verbond met elkaar aan. Zo gaat het vaak bij Michael Krüger: nietsdoen, kijken, even een symbolische betekenis laten oplichten en maar weer afwachten. De omstandigheden zijn vaak eenvoudig. De vorm is simpel, op het prozaïsche af.

Dit gedicht, ‘Cellosuite’, is te vinden in de bundel Voor het onweer, een stevige bloemlezing uit de poëzie van de Duitse dichter Michael Krüger (1943) die ook als prozaschrijver bekend is. De gedichten zijn vertaald door zijn vriend Cees Nooteboom. Een groot deel, zo’n 120 gedichten, verscheen al eerder (in 1990 en in 2003). Nu heeft Nooteboom daar nog eens dertig nieuwe gedichten aan toegevoegd.

Naast het cellogedicht staat een vergelijkbaar uitzichtgedicht, waarin de betekenissen zich opnieuw vanzelf aandienen. De dichter loopt over een landweggetje, met links naast zich een maïsveld. Al die maïsplanten met hun groene neerhangende bladeren doen hem denken aan ‘een ernstige gemeente, / hun groene rokken gesloten / over de verborgen vrucht.’ Rechts van hem strekt zich een veld vol zonnebloemen uit, ‘die verrukt hun ogen wegdraaien / naar het zo klare licht / dat ze verzengt in de herfst.’

De tegenstelling is wel duidelijk: decent naast uitbundig, ernst naast verlokking. Het is al haast een traditionele uitbeelding van de levensweg waarop de mens kan kiezen tussen goed en kwaad. En zo gaat Krüger ook verder: hij wijst op ‘een smal pad’, tussen maïs en zonnebloem. En daarboven? ‘In de bergen daarboven / de havik.’ Het kan haast niet symbolischer. En wat doet die havik? Hij ‘bidt’. Hoe betekenisvol. ‘Ook voor mij.’ Ook dat nog. Krüger hoeft nu nog maar één element toe te voegen om van dit landschapje een religieus zinnebeeld te maken – en hij doet het ook nog: ‘Bij de lichtste beweging / wachten wij allen gelaten / tot de Here ons scheidt.’

Ik kan het niet anders lezen dan als een embleemgedicht: zie, wij zijn allen maar nietige wezens, wij worden op onze levensweg door een streng toeziend oog in de gaten gehouden. Het klinkt allemaal wat klassiek en ouderwets en belegen.

Dit is poëzie van een dichter die aan een tafel zit, het liefst onder een oude boom, met vogels erin, bij een oud huis, het liefst met uitzicht op een heuvellandschap – en dan maar wat waarnemen, mijmeren, indrukken en invallen noteren, in een achteloze stijl, op een laconieke toon. ‘De hele dag lang heb ik / niets gedaan. Papier volgekrabbeld, / in de lucht gestaard, achter de woorden / aangezeten, die eindelijk / weer eens thuis wilden komen.’

Een beetje dagdroom, een beetje weemoed, een beetje sfeer, een beetje natuur, en dat dan rustig achter elkaar opschrijven – veel meer doet Krüger niet. Het is allemaal cultureel correct, met op zijn tijd een goed citaat, een erudiete verwijzing, of een aforistische diepzinnigheid.

Maar het neigt ook al gauw naar sentiment, of naar kitsch. Neem het vage geneuzel waarmee ‘Eind van de zomer’ begint: ‘Ze worden weer langer, de brieven / naar het licht, getekend op / lichtzinnige bladeren, de verhalen gaan mee / met de zon.’ Het klinkt als echte poëzie. ‘De wereld van het mogelijke groeit / met de schaduwen.’ Zo spreekt een echte dichter. ‘Er is er maar een die zegt: / het blijft zoals het was.’ Zo spreekt een echte romanticus. Als het, zoals meestal aan het eind van de zomer, iets harder gaat waaien, zegt Krüger: ‘Als een dief trekt de wind / aan onze kleren.’ En als het gaat regenen: ‘en het water / houdt zich niet meer in.’

Krüger is beter te genieten als hij niet probeert de dichter uit te hangen, maar gewoon korte verhalen en brieven schrijft – al is het dan onder het mom van een gedicht. Er zitten verhandelingen bij over de computer en vertellingen over het logeren vroeger bij opa en oma en over het dorp van zijn jeugd. Verder staan er veel gedichten in over ouderdom en over al dan niet overleden vrienden. Geen gedichten met harde conclusies of verrassende clous.

Zouden deze vertalingen ooit zijn uitgegeven als ze door iemand anders dan Cees Nooteboom waren gemaakt? Ik vraag het me af. En zou er veel van blijven hangen? Ik denk het niet. De basis van deze poëzie is weemoed en angst voor de nieuwe tijd. En het is wel heel vaak hetzelfde oude droevige liedje. In het laatste gedicht zit de dichter in de trein. Hij rijdt langzaam door buitenwijken. Hij ziet de volkstuintjes.Er bloeien bloemen. Er hangen uien en look te drogen. Hij zou er wel in willen opgaan, in deze paradijselijke wereld die met een hek is afgeschermd ‘van goed en kwaad’. Dit is ‘het verdrietloze land.’ Maar de trein schuift verder. En hij moet mee. En hij is niet alleen. Als ik het goed begrijp zitten wij allemaal in zo’n soort trein. We zijn allemaal onderweg naar een andere wereld, ‘het veergeld onder onze tong.’