Column

Strindberg

In het jaar van zijn honderdste sterfdag woedt in Zweden een ware cultus rond August Strindberg. Zijn toneelstukken worden vaak opgevoerd, zijn romans herdrukt, zijn museum drukbezocht. Een nieuw peperduur, geïllustreerd boekwerk is over hem verschenen. Vanaf affiches en vanuit vitrines zie je overal zijn vreugdeloze hoofd met die starende blik opdoemen. Andere grote Zweedse kunstenaars, zoals Nobelprijswinnaar Tomas Tranströmer en Ingmar Bergman, blijven ver in zijn schaduw.

Een gang naar zijn museum aan de Drottninggatan 85 in Stockholm was dan ook onvermijdelijk, al ben ik geen onvoorwaardelijk liefhebber van zijn vaak nogal geëxalteerde werk. Ik heb er geen spijt van gekregen – zelden zo’n gaaf, intiem schrijversmuseum gezien. Op deze plek, de vierde verdieping van een appartementengebouw in het centrum van de stad, bracht Strindberg (1849-1912) de laatste vier jaar van zijn leven door.

Het woeligste deel van zijn liefdesleven – drie mislukte huwelijken – had hij achter de rug. Hij had als oude man nog contact met een 41 jaar jongere actrice, maar de aard van die relatie is onduidelijk gebleven.

Harriet Bosse, zijn derde vrouw, had in 1908 niet meer naar hem willen terugkeren, hoe wanhopig hij haar in een van zijn laatste brieven ook schreef: „Wanneer Je met me spreekt of aan me schrijft, bedenk dan dat Je je richt tot een man die geen woord kan, durft uit te spreken dat niet waar is! Is het geen rustig gevoel om op één enkel persoon te kunnen vertrouwen? Hem moet Je niet bedriegen of aan het lijntje houden. Dat is zondig!”

Maar nog diezelfde maand wendt Bosse zich definitief van hem af door met een acteur te trouwen. Strindbergs noodkreten aan haar adres leken illustratief voor zijn tweeslachtige houding tegenover ‘de vrouw’: liefhebbend, soms ronduit verheerlijkend, maar ook hatend.

In zo’n museum komen zulke facetten minder aan bod, daar gaat het vooral om materiële zaken – en die zijn in royale mate intact gebleven. Het meeste van het eenvoudige, nu ietwat kneuterig aandoende meubilair werd door Strindberg zelf gekocht.

Je voelt je als bezoeker een gast die mag rondlopen, terwijl de bewoner even is vertrokken om een boodschap te doen. Alles is gedaan om die illusie in stand te houden. Er zijn zelfs geluiden van de luidruchtige buren toegevoegd die Strindberg kennelijk hevig stoorden. Je hoort een buurman zo luid zuchten en knorren dat even de vrees ontstaat dat hij de schrijver straks met een daverende wind nog verder uit zijn concentratie zal halen.

De flat bestaat uit een kleine hal, een slaapkamer, eetkamer en studeerkamer met aangrenzend balkon vanwaar Strindberg zich op enkele verjaardagen door een menigte van bewonderaars liet toejuichen, zelfs toen hij ernstig ziek was.

Hij schreef een vriend dat hij zijn „mooiste elektrische lamp met het rode oog” op het balkon zou zetten, zodat ze de plek konden vinden. Ook deze bijzondere schemerlamp staat nog in de flat.

Het mooist vond ik zijn onberispelijke schrijftafel met al die keurig geordende schrijfattributen en zijn brilletje. Het ontroerendst was zijn eenvoudige een(!)persoonsbed waar hij zijn doodsstrijd streed.

Wie toch in deze buurt is, moet zeker doorlopen naar het formidabele beeld van Strindberg, gemaakt door Carl Eldh. Strindberg zit erbij als een reusachtige, naakte worstelaar met een lichaam dat zich schrap zet tegen alle mogelijke kwellingen.