Plezier, energie, tempo: totaalhockey

Tiki-taka-hockey werd het spel van Nederland tegen Groot-Brittannië genoemd, naar het soms onnavolgbare voetbal van Barcelona. „Wij zijn he-le-maal losgegaan.”

Mink van der Weerden, Roderick Weusthof, Billy Bakker, Sander Baart, Bob de Voogd en Wouter Jolie (vlnr) vieren een van de negen Nederlandse doelpunten tegen Groot-Brittannië. Foto Reuters

Teun de Nooijer keek gisteravond, vlak voor het einde van de halve finale tegen Groot-Brittannië, eens om zich heen. Hij had er wel even tijd voor. De afgeladen tribunes van de Riverbank Arena, dat vreemde blauwe veld, de oranje shirts van zijn maten, en tegen de donkere avondlucht een kolossaal scorebord waarop de cijfers 9-2 oplichtten. „Wij keken elkaar aan en dachten: wat gebeurt hier allemaal?”

De halve finale van het olympisch hockeytoernooi zal de geschiedenis ingaan als de avond waarop de Nederlandse spelers zichzelf bevrijdden, de dag waarop alles waarvoor zij al die jaren hadden getraind op zijn plaats viel. „Alles wat in deze ploeg zit kwam eruit, de creativiteit, het aanvallende vermogen, de snelheid.” Na vijf Spelen, twee gouden medailles, en 452 interlands besefte zelfs De Nooijer (36) – in zijn voorlaatste interland – dat hier iets bijzonders aan de hand was. „Dit is hockeyen met een grote glimlach.”

Het waren voor de Britten vermoedelijk de langste zeventig minuten uit hun hockeyhistorie. Wat Nederland de verbijsterde Britten in hun eigen hoofdstad voorzette, was een galavoorstelling die op olympisch niveau zelden werd vertoond. Tiki-taka-hockey werd het zelfs genoemd, naar het soms onnavolgbare voetbal van Barcelona. Totaalhockey.

„Onbeschrijfelijk”, glunderde Robert van der Horst. „Wij zijn vanavond he-le-maal losgegaan. Iedereen heeft zijn hoogste niveau gehaald. Dit betekent heel veel. In Peking (waar Nederland in 2008 als vierde eindigde, red.) was het heel zwaar. Maar dit is het gevoel dat ik altijd heb willen hebben, maar dat ik nooit kon vastpakken.”

Met de topprestatie lijkt de transformatie compleet die bondscoach Paul van Ass voor ogen had toen hij twee jaar geleden bondscoach werd. Hij maakte van een kwakkelende, risicoloos spelende ploeg een flitsende aanvalsmachine waar de energie en de spelvreugde van afspatten. Letterlijk is bij elk duel de doelstelling: vijf keer scoren. Gisteren, in de bus naar het stadion, had Sander Baart geroepen: „Waarom gaan we eigenlijk niet voor de tien?”

Volgens Roderick Weusthof, die net als De Nooijer morgen afzwaait met de olympische finale tegen titelverdediger Duitsland, is de wederopstanding van de ploeg – na ruim tien magere jaren – mede te danken aan de hechte club die de excentrieke Van Ass de afgelopen maanden wist te smeden. „We gunnen het elkaar”, zei Weusthof, die gisteravond drie keer scoorde. We zijn bereid voor elkaar te werken en alles van elkaar te accepteren. Al scoort één speler negen keer, dat maakt niks uit.”

Volgens Weusthof, een compleet andere hockeyer vergeleken met zijn mislukte spel in Peking, voelen de spelers zich „bevrijd” onder Van Ass. „Als je de bal krijgt, doe je in principe maar wat. Maar dan doe je vaak wel het juiste, omdat je niet nadenkt.” Hij laat tegenwoordig rushes zien waarvan Van Ass met een grote grijns op zijn gezicht zegt: „Ik wist niet dat jij dat kon.”

Plezier, energie, pressie, snelheid, behendigheid, aanvalsdrang. Daarmee bestookt Van Ass zijn selectie dagelijks. Hij ontwierp er een afgemeten wisselsysteem bij, dat wel iets weg heeft van een ijshockeyploeg. Met shifts van acht of negen minuten spelen, gevolgd door vier minuten rust, kan Nederland het tempo maximaal hoog houden. „Het is op en af, alles puur op snelheid”, zegt Baart. „Je weet dat je negen minuten gaat knallen. Daar zijn we op getraind.”

Het Nederlandse plezier is terug op het kunstgrasveld – en de Britse hockeyers hebben het geweten. Een grotere nachtmerrie had coach Jason Lee zich niet kunnen voorstellen. Uitgerekend op dit moment, voor 16.000 fans en miljoenen Britten voor de televisie, groeide Nederland naar een niveau dat het waarschijnlijk nooit eerder bereikte. Razendsnelle counters, lepe steekballetjes, schitterende rushes en dodelijke corners wisselden elkaar in hoog tempo af. Billy Bakker, die drie keer scoorde, had de avond van zijn leven. „Vanaf de zevende goal begon ik aan het volgende duel te denken”, erkende Van Ass. „Ook om die Britten nog een beetje te sparen. Maar de jongens waren niet te houden. Billy Bakker zei: ik ga erin, ik ga er nog een maken. Dan zeg ik ook niet: doe maar niet, jongen.”

Een enorme domper was evenwel het wegvallen van Klaas Vermeulen, die na een botsing al na vijf minuten uitviel. „Ik ben bij mijn familie gaan zitten op de tribunes”, zei Vermeulen na afloop, onder de pijnstillers. „Ik heb wel wat traantjes gelaten op de tribune. Maar ik heb wel genoten van het spel.”

Van der Horst had het er, te midden van alle euforie, moeilijk mee. „Heel spijtig voor hem. Laten we voor hem in godsnaam goud pakken, want hij verdient dat misschien wel het meest van allemaal.”