Lastig leven in het Anderwereldse

Japan leert een mens spaarzaam te leven. Dat ervoer Nicolas Bouvier in Kyoto. Hij nam ook de tijd dieper te kijken – naar de tradities van dat land bijvoorbeeld.

Lees nooit wat grote reisschrijvers hebben geschreven over een land dat je gaat bezoeken of aan het bezoeken bent. En als het niet anders kan: lees ze dan ruim van tevoren. Geef je brein de tijd af te kicken van een blik en een stem die al je ervaringen tot een slap aftreksel zullen maken. Reisliteratuur is in de eerste plaats voor thuisblijvers.

Aan die zelfbedachte regel heb ik me op mijn bescheiden reizen door Japan kunnen houden. Allen Booths verslag van zijn wandeling van noordelijk Hokkaido naar het uiterste puntje van zuidelijk Kyushu? Onaangeroerd in de kast. Alex Kerrs oorspronkelijk in het Japans geschreven Lost Japan? Ik had het bij me maar sloeg het pas open in het vliegtuig naar huis. En Nicolas Bouviers klassieke Japanse kroniek? Die plofte pas recentelijk op de deurmat.

Bouvier (1929-1998), de Zwitserse reisschrijver en fotograaf, was een geval apart. Hij durfde langdurig stil te zitten en in zichzelf te kijken – twee zeldzame eigenschappen in de beroepsgroep en onmisbare kwaliteiten voor wie Japan wil ervaren.

Bouvier woonde met zijn gezin enkele jaren in het Kyoto van de jaren vijftig en zag hoe het land zich met verbluffend tempo uit de rokende puinhopen van de Tweede Wereldoorlog opwerkte. In de jaren zeventig keerde hij terug, waarna de definitieve versie van Japanse kroniek het licht zag.

Een fotograaf kijkt. Op bezoek bij een echtpaar gebeurt weinig, maar Bouviers details zijn zo evocatief dat er automatisch spanning ontstaat. De echtgenoot: ‘een gedistingeerd geraamte’ in een ‘versleten tweedjasje.’ Zijn vrouw: ‘een gezicht dat als verkreukeld zijdepapier uit de strakke halsopening van een strenge, kostbare kimono steekt.’ Buiten: de verkleumde tuin.

Bouvier vat samen: ‘Het gevoel dat ik op bezoek ben bij geesten, bij drenkelingen die speciaal voor ons van de zeebodem zijn opgestegen.’ Veel later, over een oude cafébaas in de buurt van Nagasaki, merkt hij op: ‘Ik zie in zijn gebaren ook de eeuwige aarzeling, de vermoeide distinctie van een geletterd man.’

Sciencefictionlandschap

Bouvier vangt feilloos het mysterieuze, Anderwereldse en inherent melancholische van Japan. Maar hij neemt de tijd om dieper te kijken, naar de traditie die als een onderaardse rivier onder het moderniserende sciencefictionlandschap stroomt. Bovendien heeft hij zich de taal en de geschiedenis volledig eigen gemaakt.

Wat ik ook zelf ontdekte: Japan leert een mens spaarzaamheid. Het is onbeschoft – en zeker in het overbevolkte Tokio ondoenlijk – er te veel ruimte in te nemen. Fysiek, in de vorm een groot lichaam, een grote auto en een groot huis, maar ook qua lawaai, drukke bewegingen en nodeloos pontificeren. (Niettemin maken alle objecten, van vuilniswagens tot speelhallen, er juist weer vreselijk veel geluid.)

Bouvier schrijft: ‘We arriveren in dit karige en sobere land met de stofwisseling van een veelvraat: dat is het Westen ten voeten uit. Gouden serviezen, maharadja’s, robijnen zo groot als eieren, dat was wat onze eerste reizigers imponeerde en wat ze graag wilden zien, terwijl het ware kenmerk van Azië nu juist matigheid is.’

Door die gedwongen ingehoudenheid gebeurt er van alles in je hoofd. Of misschien gebeurt het sowieso wel, maar kun je er in Japan vaak wat beter naar luisteren.

Ik heb genoten van Japanse kroniek, maar eerlijk is eerlijk: het is, vergeleken met Bouviers bekendere De wegen van de wereld en De schorpioenvis, een gemankeerd boek. In lange, uitbundige geschiedenislessen slaat de schrijver een toon aan die niet naadloos aansluit bij de eigen anekdotes en observaties, die beeldender, gevoeliger en sterker zijn.

Stijve stad

Bouvier hield van Japan, maar makkelijk had hij het er niet (en zijn vrouw al helemaal niet, want ze sprak geen Japans en was door haar kind aan huis gebonden). Kyoto bleek, al het fraais ten spijt, een ongelukkige keuze. In de oude keizerlijke hoofdstad huist wellicht de ziel van de natie, maar het is ook de meest stijve stad: ‘een van die enigszins oververmoeide kunststeden waar je geen balk zult tegenkomen of er is wel een beroemde kunstenaar aan te pas gekomen, geen rots of twee beroemde krijgers zijn er elkaar te lijf gegaan, en waar de ‘culturele dichtheid’ zo groot is dat je het te druk hebt met begrijpen, onderscheiden en leren om nog iets te kunnen voelen, vooral omdat de kenners door wie je wordt omringd, je aanmanen nog beter je best te doen.’ Gooi er een steen, zegt men, en je raakt een professor.

Op zijn Japans leven – eten, taal en praktische eigenaardigheden – is niet moeilijk. ‘Het is mét hen leven dat soms lastig is... en leven in het algemeen.’ Geregeld wordt de schrijver overvallen door ‘zo’n typische Japanse aanval van neerslachtigheid: het straalt uit vanuit je maag... en alles waar je trots op was lost op en is weg. Ik ken geen ander land waar je stoel zo slinks onder je kont vandaan wordt getrokken.’

Ik ben blij dat ik dát voor mezelf heb kunnen ontdekken, in mijn eigen woorden, mijn eigen gedachten, mijn eigen gevoelens. Nu ik Bouvier gelezen heb – die schrijft over een land dat in veel opzichten nog hetzelfde is, maar in niet onbelangrijke (stagnatie, bevolkingsafname, vergrijzing) ook erg is veranderd – zie ik dat ik in mijn melancholie minder alleen was dan ik me er indertijd gevoeld heb.

Maar dat is nu juist het punt. Het was míjn melancholie.