Jong en oud, men leeft vaker alleen

De groei van éénpersoonshuishoudens is sterk gerelateerd aan welvaart. Daarom wonen vooral in snel groeiende economieën als China, India en Brazilië steeds meer mensen alleen. Is alleen leven plezierig? Zo ja, waarom? En hoe vergaat het de oudere alleenstaande?

Het is pas twaalf jaar geleden dat de Amerikaanse politicoloog Robert Putnam zijn geruchtmakende studie Bowling Alone publiceerde. Daarin lanceerde hij de term ‘sociaal kapitaal’ en belichtte de gestage afname daarvan in de voorafgaande drie decennia. Hij had het in dat verband over wederzijdse ondersteuningsnetwerken, die mensen binden op basis van vrijwilligheid en ervoor zorgen dat dingen collectief gedaan worden die individueel niet zouden lukken. Putnam constateerde een afname van sociale en civiele participatie in uiteenlopende verenigingen , maar ook van informele manieren van samenkomen: kaartavondjes en vriendschappelijke bowlingcompetities.

Putnams boek was pessimistisch: de sociale cohesie brokkelde af, steeds minder mensen zeiden te kunnen rekenen op buren of vrienden, samen tv-kijken was vaak nog de enige gezinsactiviteit.

De opmars van smart phones en sociale media heeft de discussie rond zijn boek al very much 20th century gemaakt, maar ook uitgebreid tot een kwestie waarin enerzijds wordt geponeerd dat die teloorgang van sociaal kapitaal door al die recente ontwikkelingen in een stroomversnelling raakt, terwijl anderzijds steeds vaker wordt gesteld dat de nieuwe technologie juist ruimte creëert voor nieuwe, andere netwerken en vormen van interactie.

In het nieuwe boek van socioloog Eric Klinenberg wordt een onderdeel van die ontwikkeling onder de loep genomen dat bijna iedereen wel herkent uit zijn omgeving dan wel uit tv-series: ‘de buitengewone stijging en verrassende aantrekkingskracht van het alleen wonen’.

De statistieken die hij aandraagt zijn inderdaad niet mis. Terwijl in 1950 nog vier miljoen Amerikanen alleen woonden, is dat aantal nu gestegen tot 31 miljoen (van de ca. 309 miljoen inwoners, red.). Van dat aantal is de meerderheid vrouw. In 1950 was 22 procent van de volwassen Amerikanen ongehuwd, nu is dat meer dan de helft; in de grote steden is het percentage nog hoger.

De VS staan in dit opzicht niet alleen: in andere landen zijn de statistieken nog opzienbarender. In Scandinavië leeft 40 à 45 procent van alle inwoners in eenpersoonshuishoudens en ook in andere Europese landen is dat percentage hoger.

Die tendens beperkt zich niet tot de westerse wereld en lijkt met economische ontwikkeling te correleren, want de landen waar de groei van eenpersoonshuishoudens zich het snelst voltrekt zijn de economische tijgers China, India en Brazilië. Het is een demografische ontwikkeling, die zich waarschijnlijk eerder zal voortzetten dan zal afzwakken.

Schumpeter, de Oostenrijkse econoom, voorspelde al in de jaren veertig de ‘geleidelijke desintegratie van de burgerlijke gezinsvorm’. Maar het heeft tot onze tijd moeten duren voor – in de woorden van sociologenechtpaar Ulrich en Elisabeth Beck – ‘het individu de basiseenheid van sociale reproductie aan het worden is.’ Er heerst in de VS nog steeds een residu van het stigma op ongetrouwd zijn en alleen wonen. Dat is allang niet meer zo sterk als in de jaren vijftig, toen de meeste Amerikanen alleenstaanden nog beschouwden als ‘ziek’ en ‘immoreel’. Toch wordt er nog steeds veel geld besteed aan campagnes ter promotie van het traditionele huwelijk, waar Klinenberg weinig goede woorden voor kan opbrengen.

De ontwikkeling stelt ons, aldus Klinenberg, voor een moeilijke vraag: ‘Waarom benutten de relatief bevoorrechte burgers van de meest ontwikkelde landen hun ongekende mate van welvaart en veiligheid nu juist om zich van elkaar af te scheiden?’

Vrouwenemancipatie

Klinenberg noemt factoren die geen van alle verrassen. Zoals de langdurige nawerking van de vrouwenemancipatie, die het vrouwen mogelijk maakt voor een alleenstaand leven te kiezen zonder zich de associatie met een losse moraal, onaantrekkelijkheid of gekte op de hals te halen. Verder de wereldwijde migratie naar de grote steden, waar individualisme historisch vaker voorkomt, de snel toenemende levensverwachting en tenslotte de technologische ‘communicatierevolutie.’ Alleen wonen betekent doorgaans duurder leven: hogere kosten voor huur, voorzieningen en reizen. Maar ook betekent het sociale stigmatisering – bijvoorbeeld onaantrekkelijke plaatsen in restaurants.

Klinenberg laat dertigers aan het woord voor wie samenwonen om carrièreredenen een uitgestelde optie is; bejaarden die na de dood van hun partner met wisselend succes alleen hun bestaan vervolgen; alleenstaande mannen met dikwijls verslavings- of psychische problemen die vaak in uiterst onaantrekkelijke pensions wonen; en, in steeds ruimere mate, volwassenen die na een scheiding vastbesloten zijn nooit meer te trouwen.

Sommige van hun uitlatingen klinken aarzelend en gedesillusioneerd. Klinenberg probeert nadrukkelijk het beeld van alleenwonenden, zoals dat in de discussie rond Putnams boek opgang deed, te verfraaien. De keuze voor alleen wonen is geen teken van sociale desintegratie, betoogt hij. Integendeel, ‘het bewijsmateriaal suggereert dat mensen hun alleen-zijn compenseren door sociaal actiever te zijn dan zij die met anderen samenwonen en dat steden met een veel singletons een bloeiende openbare cultuur hebben.’ Wie dat wil geloven moet op de koop toe nemen dat de methodologische basis voor die beweringen heel smal is.

Klinenberg keert zich nadrukkelijk tegen de ‘popsociologen’ die, in de slipstream van Putnam, de toename van het alleen wonen ‘associëren met een toename van eenzaamheid, de teloorgang van de civil society en de ondergang van het gemeenschappelijk welzijn.’ Hij noemt die redenering niet alleen misleidend, maar zelfs ‘schadelijk, omdat de vage generalisaties ervan ons afleiden van de urgente taak aandacht te besteden aan werkelijk geïsoleerde mensen en de plaatsen waar hulp het meest nodig is.’

Met die uitspraak neemt hij een voorschot op het overtuigendste hoofdstuk, Aging alone, waarin het vooral gaat om de steeds groter wordende groep alleenstaande ouderen. Een op de drie 65-plussers in Europa leeft alleen, in de VS is dat cijfer ongeveer gelijk en in de economische groeilanden komt het in rap tempo in de buurt. En het stereotiepe beeld van de fitte, golfende weduwnaar is al even vals als dat van het zielige eenzame vrouwtje dat onopgemerkt ter ziele gaat in een huis vol verwaarloosde katten.

De keuze voor een leven van onafhankelijkheid en individuele vervulling stuit onherroepelijk op een moment dat dat leven niet meer zonder assistentie geleefd kan worden. In de VS is, meer dan in Europa, een humane voortzetting dan alleen mogelijk voor de gefortuneerde medemens. Voor de overigen, die evenmin op het ooit vanzelfsprekende vangnet van hun familie kunnen rekenen, staat een levenseinde in het vooruitzicht dat het beeld van de happy single op voorhand moet corrigeren.

De genuanceerde wetenschapper Klinenberg toont opmerkelijk verontwaardigde trekjes waar het gaat over de vormen van assisted living in zijn land (verzorgingsflats, aanleunwoningen etc.), grotendeels geprivatiseerd, zodat de marktwerking ook in deze sector overheerst en welzijn ondergeschikt is aan winstmaximalisatie.

Rangen en leeftijden

Zijn boek is uiteindelijk wél een pleidooi voor een bredere maatschappelijke erkenning van deze ontwikkeling en dan vooral waar het de accommodatie van alleenwonenden van allerlei rangen en leeftijden betreft. En dan vooral in de VS waar de grote steden zijn gegroeid op een manier die ze voor oudere alleenstaanden onbewoonbaar maakt.

Bepaald gloeiend is zijn betoog voor een samenlevingsvorm zoals die in Stockholm bestaat, met als voorbeeld een flatgebouw van zeven verdiepingen genaamd Färdknäppen en eigendom van de gemeente, waar alleenwonenden van veertig jaar en ouder hun privéleven naar believen kunnen mengen met gemeenschappelijke activiteiten.

Op mij kwam zijn beschrijving van zo’n tehuis sympathiek, zelfs wel een beetje geruststellend over. Maar ik ben dan ook waarschijnlijk ouder dan die andere lezeres van dit boek (de recensente van The Guardian) die er de sfeer van jaren zeventig jeugdherbergen in proefde, ‘inclusief de geur van andermans sokken.’ Ach, als zo’n nare lucht de ergste van mijn oudedags-problemen zal zijn, denk ik dat er toch maar voor teken.