Eerlijk beledigen

Een paar dagen terug was ik op bezoek bij vrienden die pas een kind hebben gekregen. Nadat ik de baby had bewonderd en even had vastgehouden (nogal krampachtig, omdat ik elk moment een kreet verwachtte als: KIJK UIT! BLIJF HET LINKERVOETJE ONDERSTEUNEN! BABY’S HEBBEN EXTREEM ZWAKKE ENKELBANDEN!), zat ik even met de kersverse ouders aan

Een paar dagen terug was ik op bezoek bij vrienden die pas een kind hebben gekregen. Nadat ik de baby had bewonderd en even had vastgehouden (nogal krampachtig, omdat ik elk moment een kreet verwachtte als: KIJK UIT! BLIJF HET LINKERVOETJE ONDERSTEUNEN! BABY’S HEBBEN EXTREEM ZWAKKE ENKELBANDEN!), zat ik even met de kersverse ouders aan tafel, de moeder naast me had de baby op schoot.

Ik ben de grote haphaai en ik ga in dit bolle babybuikje bijten

Nu is het een algemeen bekend wetenschappelijk feit dat de aanblik van een babyhoofd een kortstondige smelting van de hersenen veroorzaakt, waardoor mensen enkel nog in staat zijn om zinsconstructies als ‘já! já! já!’ en ‘koeliekoeliekoelie’ te formuleren. Er bestaan uiteraard mensen die hier immuun voor zijn, de mensen die baby’s aanstaren zonder een spier te vertrekken en slechts opmerken: „Ja, maar kan het ook piáno spelen?” Toch zijn de meesten van ons weerloos, en zeggen we dingen waar we later niet aan herinnerd willen worden („ik ben de grote haphaai en ik ga in dit bolle babybuikje bijten”).

Dit keer verliep het gesprek echter anders: de moeder was lachend de baby aan het kietelen, tot ze die aankeek en zei: „Kijk, en dat is nou Renske.” Ik zwaaide. „Ja”, vervolgde ze. „Ja! Dat is Renske. Wat heeft Renske een gekke jurk aan, hè? Ja! Wat een gekke jurk! Ja!” Dit doorbrak nogal de bubbel van onschuldig babygeklets. Terwijl ook ik naar de baby bleef staren, probeerde ik het helder te krijgen: wat was er net gebeurd? Was ik nu net beledigd via een baby?

Een belediging via anderen laten gaan is niet bepaald chic – ik denk aan iemand voorstellen met: „Nou jongens, dit is Richard, een hele goede vriend behalve natuurlijk als je een keer dronken met hem naar bed gaat, want dan laat-ie twee weken niets meer van zich horen, en hij werkt dus als tandartsassistent in Haarlem.” Of iets via de hond duidelijk maken: „Nou Takkie, het is weer eens zover, dan gaan wij wel weer de vuilniszakken buiten zetten, hè? Terwijl we net nog die lelijke angina hebben gehad.” Maar een baby hiervoor gebruiken gaat te ver. Tegen baby’s zeg je immers enkel lieve en onschuldige dingen, waardoor elke belediging lijkt te kunnen. „Hee lieffie, kijk eens, het is je tante Anouk! Ja! Je tante Anouk houdt heel veel van jou, want ze heeft zelf nog helemaal geen kinderen, nee, ze heeft zelf nog niet eens een vriend, omdat ze een beetje verlatingsproblemen heeft hè, ja, ja, ze wil vast héél vaak op je passen, vast wel iedere donderdagavond van acht tot twaalf bijvoorbeeld.” Iets terugzeggen is ook zo lastig: de opmerking was niet tegen jou gericht. Moet je het babygesprek verbreken en zeggen: „Sorry, maar wat is er precies met mijn jurk?” Of moet je mee in de gekte en beginnen met: „Ja snoepie, Renske heeft misschien wel een rare jurk aan, maar jouw mama heeft posters van de Ikea boven haar bank hangen en dat vind jij toch ook niet echt mooi, hè? Nee, hè, nee, hè.”

Het lijkt me duidelijk: laten we proberen vooral eerlijk te beledigen, en ons tijdens babypraat concentreren op haphaaien en bolle buikjes – dat is al gênant genoeg.