Een ongrijpbaar multitalent

Wie eenmaal marxistisch denken heeft geleerd, kan uiteindelijk helemaal niet meer denken. Een uitspraak van de politieke satiricus en clowneske modelburger Kurt Tucholsky. Een nieuwe biografie van hem getuigt van een verfrissend talent voor beknoptheid.

De Duitse schrijver Kurt Tucholsky (1890-1935) had een passie voor politiek, vrouwen en variété. Vooral voor het laatste, zo laat Rolf Hosfeld zien in zijn mooie Tucholsky. Ein deutsches Leben. Deze biograaf, cultuurredacteur van Die Woche en in 2010 met zijn Marx-biografie winnaar van de Friedrich Ebert-prijs voor het beste politieke boek, maakt duidelijk hoezeer Tucholsky gegrepen was door het theater van het divertissement. Hij verdiende veel geld met het schrijven van chansons en cabaretteksten, maar dat was zeker niet de belangrijkste oorzaak van zijn betrokkenheid bij de wereld van de melodie, de fratsen en de maskerade.

Tucholsky hield intens van de omgeving waar gezongen, gegoocheld en aan acrobatiek werd gedaan. Berlijn telde in de jaren twintig veertig theaters waar deze kunsten werden vertoond. Toen hij zich voor enige tijd als correspondent in Parijs vestigde, struinde hij na aankomst in die stad eerst alle variétépaleizen af om tot de conclusie te komen: ze zijn hier niet zo goed als thuis.

Met zijn ruime aandacht voor deze hartstocht kiest Hosfeld voor een ongebruikelijk perspectief. De naam Tucholsky is in Duitsland sinds 1945 verbonden met een verbeten strijd die ook de twee eerdere biografen van deze schrijver verdeelde. Het conflict gaat over de vraag wat het aandeel van deze schrijver was in de ondergang van de Weimar-republiek (1918-1933).

Aan de ene kant staat een links-liberaal kamp, met als meest prominente vertegenwoordiger voormalig Die Zeit-redacteur Fritz Raddatz, dat in Tucholsky het prototype ziet van de goede Duitser: anti-nationalistisch en radicaal-democratisch. Heel anders luidt het oordeel van een groep conservatieve publicisten, met als initiatiefnemer de inmiddels overleden historicus Golo Mann, die hem onverantwoordelijk gedrag verwijt. Met zijn aanvallen op de ‘zwendel’-democratie van Weimar heeft Tucholsky volgens hen een bijdrage geleverd aan de opkomst van Adolf Hitler.

Hosfeld ontwijkt deze loopgravenstrijd door zich te concentreren op de persoonlijkheid van Tucholsky, om via die route ook een nieuw licht te werpen op diens rol als politiek commentator en essayist. Een prettige eigenschap van Ein deutsches Leben is dat hier een biograaf zonder missie aan het woord is. Hosfeld beschikt over een elegante toon en een fijnzinnig gevoel voor balans. De omvang van zijn biografie, die minder dan driehonderd bladzijden tekst telt, getuigt bovendien van een verfrissend talent voor beknoptheid.

Tucholsky, geboren in 1890, groeit op in een milieu van geassimileerde en welgestelde Joden. Zijn vader, directeur van een Berlijnse bank, overlijdt als Kurt vijftien jaar oud is. Hij komt dan onder de exclusieve en tirannieke hoede van zijn moeder te staan. Kurt ontwikkelt onder haar invloed een gave voor ontwijk- en vluchtgedrag.

Onberispelijk

Hij wordt opgevoed als de gentleman die hij zijn hele leven blijft. Onberispelijk gekleed, in pakken van fijne Engelse stoffen, altijd sokken dragend in dezelfde kleur als zijn hemden, een man van hypercorrecte omgangsvormen. Op aandrang van zijn moeder gaat hij studeren en brengt het tot doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij lijkt een modelburger, maar in gezelschap is hij vaak de clown die probeert zijn omgeving op het verkeerde been te zetten.

Als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, keurt hij als principiële pacifist het militaire geweld af. Dat standpunt belet hem niet om na zijn dienstoproep snel carrière in het leger te maken. Om hogerop te komen, laat hij zich zelfs protestants dopen. Volgens zijn eigen verklaring is hij inmiddels ‘innerlijk uit het Jodendom getreden’.

In deze periode begint ook het hoofdstuk van Tucholsky en de vrouwen, een verhaal dat met de kwalificatie onnavolgbaar onvoldoende recht wordt gedaan. De lezer maakt kennis met zes dames, bijna zonder uitzondering van het onafhankelijk-intellectuele type. Met andere vrouwen verveelt Kurt zich te snel. Hij is altijd op zoek, weet nooit wie hij wil, maar weet wel dat het er nooit één tegelijk kan zijn.

Even ongrijpbaar is Tucholsky als schrijvend multitalent. Behalve teksten voor het theater van de kleinkunst schrijft hij politieke stukken voor zijn tijdschrift Die Weltbühne. Bovendien publiceert hij in dat blad literaire kritieken, toneelrecensies, gedichten en feuilletonverhalen. Vooral die laatste hebben in gebundelde vorm veel succes bij een groot publiek. Hij is dol op schuilnamen, de een nog zotter dan de ander (Peter Pan, Kasper Hauser, etc). Uiteindelijk telt voor hem vooral de solidariteit met een goede grap en een fraaie zin.

Ook in zijn politieke commentaren is Tucholsky een grillige man. Hosfeld maakt in zijn karakterstudie duidelijk dat deze gespleten figuur zelden op een consistente opvatting viel te betrappen. Aanvankelijk steunt hij de Weimar-democratie, maar al snel noemt hij het parlementaire stelsel leugenachtig. Het wordt volgens hem gecontroleerd door de machtige instituties van leger, rechterlijke macht en ambtenarenapparaat, die geen afscheid kunnen nemen van het vooroorlogse keizerrijk.

Gustav Stresemann, de politieke leider die tussen 1924 en 1929 als rijkskanselier en minister van Buitenlandse zaken Duitsland in rustiger vaarwater brengt, wordt door Tucholsky gediskwalificeerd als een valsspeler die in het Verdrag van Locarno vrede met Frankrijk zoekt om de handen vrij te krijgen voor toekomstige agressie in het Oosten.

Moralistisch vuur

De Weimar-democratie is voor Tucholsky niet goed genoeg, hij mist in dit systeem idealistisch elan. Een politicus moet volgens hem zijn vervuld van een moralistisch vuur dat de weg opent naar een nieuwe samenleving. Dit overspannen optimisme staat in vreemd contrast tot het pessimisme dat de aan depressies lijdende Tucholsky in zijn dagelijkse bestaan uitdraagt.

Hij verstaat in hoge mate de kunst het onmogelijke te willen. Als militant pacifist propageert hij ook na 1918 de algemene ontwapening. De Volkenbond, waarvan Duitsland in 1926 dankzij Stresemann lid wordt, wijst hij af omdat deze internationale organisatie de soevereiniteit van de nationale staten ongemoeid laat. Dat kan dus nooit iets worden, aldus Tucholsky, alleen ‘een transnationaal rechtsysteem’ in een supranationaal Europa kan ermee door. In 1927 begint hij toenadering te zoeken tot de communistische partij van Duitsland, de KPD. Alleen het communisme kan in zijn ogen de nationaal-socialistische beweging van Hitler tegenhouden. Dat de KPD zich niet minder frontaal tegen de parlementaire democratie richt dan de nazi’s, is voor Tucholsky geen bezwaar, integendeel. De communisten hebben het vooral gemunt op de belangrijkste steunpilaar van Weimar, de SPD, nadat Stalin enkele jaren eerder deze sociaal-democratische partij tot tweelingbroer van het fascisme (‘sociaal-fascisten’) had uitgeroepen.

Platitudes

Tucholsky wordt geen lid van de KPD, maar gaat in zee met Willi Münzenberg, die in dienst van de Kommunistische Internationale in Duitsland een mediaconcern heeft opgericht en met groot succes West-Europese intellectuelen voor de zaak van het communisme ronselt. Tucholsky maakt voor Münzenberg een geïllustreerd boek (Deutschland, Deutschland über alles). Over de tekst zegt Hosfeld: ‘Hij zeilt vaak langs de rand van de platitudes en valt menigmaal in het water’.

Tucholsky toont snel spijt van dit project en schrijft in Die Weltbühne dat wie eenmaal marxistisch denken heeft geleerd, uiteindelijk helemaal niet meer kan denken. Stalin is eigenlijk geen haar beter dan Hitler, zo laat hij aan een vriend weten. Maar tegelijkertijd blijft hij de SPD bespotten, naar het lijkt vooral om esthetische redenen: het is in zijn ogen een beweging van saaie functionarissen, gespecialiseerd in het bezigen van stadhuistaal, zonder esprit en zonder idealisme.

Hoe serieus moet je een politiek commentator nemen die zoveel kanten opvliegt?

Het valt Hosfeld niet kwalijk te nemen dat hij er niet helemaal uitkomt. Schrijvers zijn geen politici, schrijft hij vergoelijkend. Tucholsky wilde zich volgens hem niet in de politiek mengen, maar slechts in het publieke debat. Maar was die openbare discussie niet een onderdeel van de overlevingsstrijd waarin de Weimar-democratie was verwikkeld?

Toen het te laat was, realiseerde Tucholsky zich wel degelijk wat hij niet goed had gedaan, namelijk de gematigde krachten aanvallen die de vestiging van een dictatuur probeerden af te wenden. Ik mis nu eenmaal elk politiek instinct, aldus de schrijver.

De biografie van Hosfeld is het dramatische verhaal over een politieke satiricus die zijn spotzucht probeerde te compenseren met idealistische ernst, maar die toch vooral een misplaatste figuur bleek te zijn in een tijd dat politiek letterlijk een doodernstige zaak was.

Nadat Adolf Hitler in januari 1933 aan de macht kwam, werd Tucholsky het land uitgezet en kwamen zijn boeken op de brandstapel. Twee jaar later overleed hij in een Zweeds hospitaal nadat hij een cocktail van het slaapmiddel Veronal en alcohol had ingenomen.