Een geestig, tijdloos, overvloedig dichter

Als literaire liefdesverklaring deze week theoloog en dichter Huub Oosterhuis over de poëzie van Lucebert en het gevoel van verlorenheid.

‘Lucebert ontdekte ik in 1952, het jaar waarin hij debuteerde met de dichtbundel apocrief/ de analphabetische naam. Ik was leraar en las zijn gedichten voor in de klas. Toen al een sensatie van taal. Er is zo’n grenzeloze rijkdom aan beelden, aan woordenpracht. Lucebert vond dat je sommige poëzie moest lezen als toneel-quotes. Bij zijn werk is dat zeker zo. Lucebert komt beter naar voren als je hem voorleest.

„Lucebert was een dichter met een missionaire aanleg. Als hij sprak over ‘in deze tijd’, wat hij geregeld deed, dan doelde hij op de periode na de Tweede Wereldoorlog. Die oorlog is voor hem nooit geëindigd. De gevolgen daarvan wilde hij verkondigen. In zijn debuut uit 1952 schreef hij: ‘In deze tijd/ heeft wat men altijd noemde schoonheid haar gezicht verbrand/ zij troost niet meer de mensen/ zij troost de larven de reptielen de ratten/ maar de mens verschrikt zij/ en treft hem met het besef/ een broodkruimel te zijn op de rok van het universum.’

„De mens als broodkruimel op een rok. Volgens Lucebert zijn wij mensen na de Tweede Wereldoorlog onze plek in de wereld verloren. Voor de oorlog stonden wij in het centrum van het heelal. Daarna zijn we gewichtloos geworden. Dat herken ik. Ik was een generatie jonger dan Lucebert, maar ik heb de oorlog bewust meegemaakt. Voor mij is die ook nooit voorbijgegaan. Zoals Leo Vroman schreef ‘dat de oorlog van weleer, wederkeert op vilten voeten’. Dat besef van verlorenheid loopt door het hele oeuvre van Lucebert. Hij zag, zoals wel meer naoorlogse kunstenaars, dat na de verschrikkingen van de oorlog voor romantische poëzie geen plaats meer was. Adorno zei dat na Auschwitz geen poëzie meer mogelijk was. Begin jaren vijftig was dat een breed gedragen slogan.

„Lucebert vertaalde die naoorlogse gewichtloosheid in plaatsloze, naamloze gedichten. Zoals het gedicht ‘er is ik en er is’: ‘er is ik en er is/ daarin een naam/ de lucht verstaat men// maar de mens niet/ en er stemmen zeggen/ ons is een straat je hebt/ een paar voeten vliegen/ maar een is alleen/ wel mijn weg ik op/ en mijn mij ontmoet ik/ wij komen bijeen/ groet mij groet mij en/ wij zijn weg/ wij zijn leeg/ er laait geen taal/ maar donker licht er vaart/ dat nog talloos is/ dat nog taalloos praat/ mij versta ik niet/ er is ik en er i// daarin een er/ de lucht verstaat men/ maar de mens niet.’

„Lucebert is hier zowel cryptisch als onthullend. Een strofe bouwt zich langzaam op tot een verhaal. Met vage plaatsaanduidingen als ‘er’. De hoofdpersonen bevinden zich op niet-plaatsen. Ze weten niet meer waar ze zijn, ze dwalen rond, verwaaien. Wat ze zeggen en wat dat betekent is onduidelijk geworden.

„Een ander thema in het werk van Lucebert is het protest tegen machtsstructuren. Over dat thema maakte ik met hem in 1982 een theaterstuk. Voor dat stuk beschilderde hij een toren van kubussen met daarop de gezichten van dictators als Hitler en Pinochet. Die toren donderde, zoals machtsstructuren, steeds in elkaar.

„Lucebert is eenmalig. Een geestig en overvloedig dichter – alsof iemand op een tafel staat en een tas vol zilveren ringen, sieraden en horloges omgooit. Een tas vol taal. Niet alles is direct verstaanbaar, maar het geheel boeit toch, tot op de huidige dag. Er zijn gedichten die ik nog steeds niet te pakken heb gekregen, die ongrijpbaar zijn. Prachtig idee – dat ik na vijftig jaar nog niet klaar met hem ben. Naar Lucebert grijp ik nog altijd terug.

Lucebert: Verzamelde gedichten. De Bezige Bij, 912 blz. €29,90