De stekelige vakman is een eenling

‘Beginselvast egocentrisme’ is een eigenschap die Rob Schouten zichzelf openlijk toedeelt. Hij doet dat in het drie pagina’s lange gedicht ‘Wie ik ben’, in zijn nieuwe bundel Zware pijnstillers. Voor wie zijn eerste tien bundels gelezen heeft komt deze navelgerichte ontboezeming niet als verrassing. Schoutens poëzie draagt Schoutens wereldbeeld uit, en dat is de sombere reflectie van een jongensleven van zevendedagadventist tot het volwassen inzicht dat zijn daden pluis waren, maar ook al te gewillig wegwaaiden. Wat rest is de zekerheid dat er geen recept is voor het menselijk bestaan.

Of de schepper bestaat dan wel bestond,

ik durf het niet te zeggen,

er is te weinig dril in mijn bestaan

om er iets uit op te maken,

en de loodzware aarde die niets weegt

helpt ons ook niet veel verder.

Veel lijkt me mensenwerk, tijdens diners

bijvoorbeeld warme kreeft in snot

en de kalkoen, maar dan opeens zie je

van die overweldigende hoogovens

en is de brug over de Rijn geopend.

Dan denk je toch weer: God!

Soms krijg ik driftbuien van onbegrip.

Maar dat vroeger je wist hoe alles zat

en met een nietsnut trouwen moest

lijkt me eerlijk gezegd ook niks.

Ik ben ervoor de kwesties uit te stellen.

Wie weet lossen ze op.

‘Doorzeefde raadsels’ is de titel van dit gedicht. Het is kenmerkend voor Schoutens poëtica, waarin woede en berusting pingpong spelen. ‘Niet kiezen’ is de achterliggende conclusie van dat spel. Er is immers een kans dat alles overgaat.

Vrolijk word je niet van deze poëzie. Lezing ervan is ook geen esthetisch genot. Schouten schrijft efficiënt, maar allerminst mooi. Zijn woede wordt in understatements verpakt, en dat vergt stoplappen als ‘niet veel’ en ‘eerlijk gezegd’. Een dichter die aan vorm hecht zou daar schrappen en ciseleren, maar Rob Schouten gaat het niet om de vorm maar om de vent. Die vent heet uiteraard Rob Schouten, en een enkele maal wordt hij ook met name in een gedicht vermeld.

Toch staat die vent wel midden in de wereld. Zijn sardonische commentaar op het reilen en zeilen van volk en vaderland is egocentrisch, maar als kritisch toeschouwer is hij intens geëngageerd. Zelf zet hij daar relativerende vraagtekens bij, zoals in het gedicht ‘Durch Dickicht und Gestrüpp’. ‘Ik ben,’ schrijft hij daarin, ‘heel matig, matig enthousiast / over mijzelf. Niet zeer maar beetje wel / bewogen over de wereld. Soms / ook niet.’ Opnieuw geldt het devies ‘Niet kiezen’.

De titel Zware pijnstillers is ontleend aan ‘Dreamsong 239’ van de Amerikaanse dichter John Berryman. Zoals in eerdere bundels nam Schouten ook nu weer enkele vertalingen van The Dream Songs (1969) naast eigen werk op. Als writer in residence maakte hij in 1986 in Minneapolis kennis met het werk van Berryman. Zijn vertalingen tonen hoe naadloos zijn eigen poëzie en die van The Dream Songs op elkaar aansluiten. Schouten is ook een getrouw vertaler, al vraag ik me wel af waarom in de tweede regel van ‘Dreamsong 239’ Berrymans ‘Brother Bones’ ‘broeder Jones’ is geworden.

Schouten is niet alleen dichter, maar ook columnist van het dagblad Trouw en poëzierecensent van Vrij Nederland. Als niet-dichter baat hij relativerend zijn scepsis uit, als dichter zoekt hij, cynisch of balorig, de scherpe randen van diezelfde scepsis. Bij die zoektocht wordt niemand gespaard. Ook de maker niet, maar dat deert de lezer minder dan het snijdend commentaar op bijvoorbeeld Marrie, de hulp in de huishouding uit Sleen, die smoorverliefd op Elvis was. ‘Mevrouw Presley-van der Sleen’ is de sarcastische titel van het vers waarin zij een rol krijgt. Maar bijtender nog zijn de slotregels: ‘Ook zij trouwens al jaren dood, / na een goeddeels mislukt bestaan.’

Schoutens ex-echtgenotes worden even beschamend terloops beschreven, zoals in ‘Kerstgedachte’, dat opent met de regels: ‘Op 28 januari zag ik een / nog mooie volle kerstboom bij de vuilnis, / zoals ik ook mijn tweede echtgenote.’

Dat het erger kan, nog deerniswekkender, bewijst het gedicht ‘Vader’. De eerste acht regels van dit rijmloze sonnet schetsen het portret van een plotselinge verwekker, die evengoed ‘hardcore’-gelovig bleef als jongen van Jan de Wit. ‘Hij kon niet tegen onrecht en mijn puberteit’,

Maar ’t echte werd tot allerlaatst bewaard

toen hij broodmager, zachtjes kotsen snotterde:

ik wou m’n kleinkinderen groot zien worden.

O God, bewaar me, laat me nu afglijden,

sla me met pest, neem me mijn dochters af

en leg me als het erop aankomt kalm in bed!

Het laatste couplet kan gelezen worden als een smeekbede van de vader, maar waarschijnlijker is dat deze nagalm uit de keel van de dichter zelf komt. Op zulke momenten spreekt in deze ruwhartige bundel emotie mee.

Zware pijnstillers toont het stekelige vakmanschap van een eenling. Een zonderling misschien, voor wie zijn spiegelbeeld ontwijkt. Maar hoe afstotend ook, Schouten toont een herkenbare wereld.