De slapstick van het leven

De ster van Sandro Veronesi is sinds zijn roman Kalme chaos (2005) snel gestegen. Niet voor niets. Er zijn meer Italiaanse schrijvers internationale sterren geworden met trefzekere romans waarin ze een modern gevoel van spleen weten te treffen. Maar zo goed als Veronesi is niemand.

Zijn stuwende stijl en laconieke wendingen zijn onweerstaanbaar, dat hij wars is van cynisme is een opluchting. En alleen een zeurkous gniffelt niet bij zijn quasi administratieve passages over alledaagse zaken, zoals het wachten op openbaar vervoer: eerst komt altijd de bus of trein de andere kant op. Maar: steek een sigaret op en altijd komt hij er metéén aan. Futiel? Veronesi dacht het niet! Met zulke wetmatigheden bezweren zijn personages de werkelijkheid.

Sandro Veronesi is geen veelschrijver. Tussen zijn romantitels zitten telkens twee à drie jaar. Maar af en toe schrijft hij, voor een krant of tijdschrift, een kort verhaal. Daarvan zijn er, om de tijd tot een volgende roman te overbruggen, veertien verzameld onder de titel Misplaatste kussen.

Niet alle verhalen zijn even sterk, soms steunen ze wat makkelijk op de koddigheid van de schlemiel. Maar de meeste voldoen aan het Veronesi-keurmerk: actueel van decor en cirkelend rond een klein mysterie dat nadrukkelijk níet wordt opgelost.

Het titelverhaal besluit de bundel. Het is de weeklacht van een overrijpe jongeman, schrijver van poëzie in opdracht, die in de jet set van een burgerlijk-mondaine provincieplaats de schijn ophoudt die hem door zijn omgeving is opgelegd.

Vergeefse moeite

Het verhaal ‘Misplaatste kussen’ zou ook ‘vergooide kussen’ kunnen heten. Het gaat over vergeefse moeite en verspilde energie en het verzamelt ook verder alle elementen die in de overige verhalen uitwaaieren. Het staat stil bij het bedrieglijke ‘sprookjesrijk van [de] vroegste jeugd’. Het bevestigt dat het nooit lukt om ‘het schone [te] scheiden van het schandelijke’.

Het vertelt over een bedrieger die ernaar snakt om zelf bedrogen te worden. En het voert zo nadrukkelijk de bekende formule op die stelt dat ‘alle gebeurtenissen en personages’ zijn ontsproten aan de fantasie van de schrijver, dat de lezer júist denkt dat alles wat hij leest dus wel waar zal zijn. Anders hoeft het er niet bij gezegd te worden, nietwaar.

Dit verhaal had heel goed de bundel kunnen openen, maar er is een ander gedroomd openingsverhaal. Inhoudelijk omdat het draait om ouderschap en ‘kindschap’, favoriete thema’s van Veronesi die ook in deze bundel leidden tot de beste verhalen. Formeel omdat het de verhouding tussen feit en fictie op scherp zet.

Het verhaal heet ‘Voorspelling’ en het begint zo: ‘Ik weet wie je bent, Alessandro Veronesi, ik ken jouw ziel…’ . En dan vertelt de ‘ik’ zichzelf het verhaal van een zoon aan het sterfbed van zijn vader, in ongewoon lange, pulserende zinnen.

Het lukt Veronesi: zo voelt rouw. Het sterven is gebeurd, het denken kent geen punten en nauwelijks komma’s meer, het gaat maar door, in trance. Tegen beter weten in voelt het alsof het sterven nog moet gebeuren. Je wilt er niet aan, je moet het steeds opnieuw aan jezelf vertellen. En, wil je plotseling weten, waarom moest je zo nodig bedenken dat je vader op zijn sterfbed leek op Oliver Hardy?

Alwetende verteller

Die ‘ik’ spreekt zichzelf met naam en toenaam aan. Hij is een alwetende verteller. Hij kent heden, verleden en toekomst van de toegesprokene. De schrijver van zijn woorden draagt nagenoeg dezelfde naam als de hoofdpersoon: Sandro en Alessandro Veronesi. Daarmee is dit verhaal autobiografische fictie. En omdat de bundel ermee opent, kleurt het alles wat erop volgt.

Zo maakt ook het knap gecomponeerde verhaal ‘In de zon op de Champs-Élysées’ de indruk van een autobiografische herinnering. De hoofdpersoon, een schrijver, is in Parijs. Niet bij zijn hoogzwangere vrouw in Rome waar hij, dat beseft hij, zou moeten zijn om met volle teugen vader te worden. Maar hij wil nog niet. Hij laat zich liever mangelen tussen zijn vagebondvriend, schrijver in spe, en zijn andere vriend, een egomane nostalgicus die achterover leunt in zijn literaire succes.

In een magistrale scène stort de aanstaande vader zich zonder uitkijken in het verkeer over de Champs-Élysées. Een wereldberoemde straat trotseren die is vernoemd naar de Elysische velden, dat wil zeggen naar het klassiek-Griekse speelveld voor de gelukzaligen van geest. Dat is gezocht, om niet te zeggen literaire aanstellerij. Maar Veronesi smelt het om tot een sensationele metafoor voor de les die zijn hoofdpersoon, en wie weet hijzelf, leerde: omarm risico’s; wees nooit zelfvoldaan; eer de slapstick van het leven. Wees Oliver Hardy.