De Bovenbazen (71)

In de rust die nu over het bouwwerk daalde, stond heer Bommel midden in de hall en omklemde met bevende vingers het vreemde wiel dat hij van Kwetal gekregen had.

‘Wat nu?’ prevelde hij bekommerd. ‘De uitvinder is gered; maar ik heb iedereen tot vijand gemaakt. Hier sta ik, met de uitvinding in mijn slapeloze handen. Wat doe ik er mee?’

Op dat moment begon de telefoon plotseling te rinkelen en heer Ollie kromp ineen.

‘De vijand loert,’ stamelde hij. ‘Waar moet ik heen met dit ding?’

Hij staarde radeloos naar het toestel dat met zijn brutaal gebel de stilte verscheurde en toen snelde hij de deur uit. Even later kon men hem de weg zien af razen in de Oude Schicht en toen het motorgeroffel verstorven was ratelde de telefoon voor gek. Doch niet lang meer.

De heer Steinhacker, die op zijn bellen geen gehoor kreeg, legde dreunend de hoorn op de haak.

‘Hij geeft niet thuis,’ sprak hij met gebarsten stem tot zichzelf. ‘De boef! De geslepen aterling! Ik vreesde het al; hij heeft zich tegen ons gekeerd! Grmpf! Dit is de ernstigste crisis in het bestaan van de Bovenste Tien, waar ik ooit van gehoord heb. We moeten harde maatregelen nemen.’