Dautzenberg pakt uit

Gefingeerde interviews, het lidmaatschap van een pedofielenvereniging en een niertransplantatie brachten hem een karrevracht aan publiciteit. A.H.J. Dautzenberg werd gewantrouwd. Nu lanceert hij een prachtroman.

Nog maar anderhalf jaar geleden debuteerde A.H.J. Dautzenberg met zijn compromisloze verhalenbundel Vogels met zwarte poten kun je niet vreten, en sindsdien wist hij bijna onafgebroken in de schijnwerpers van de media te blijven. Eerst door in de VPRO-Gids een interview met Arnon Grunberg te publiceren, waarin hij plastisch beschreef hoe hij, gedreven door een dwangmatige aandrang, een meeëter op Grunbergs wang uitkneep. Kort daarna publiceerde hij een drietal interviews over economie met Mötorhead-bassist Lemmy Kilmister, de beroemde drugs- en vrouwenverslindende rockster die volgens Dautzenberg in zijn vrije tijd ‘een gerespecteerd monetair deskundige’ was. Hij bleek het allemaal uit zijn duim gezogen te hebben. Het wantrouwen was dan ook gewekt toen Dautzenberg vervolgens aankondigde dat zijn volgende boek zou gaan over de transplantatie van zijn nier, die hij vrijwillig had laten verwijderen ten behoeve van een wildvreemde. Ditmaal bleek het waar te zijn. Hij schoof aan in praatprogramma’s, die voor de zekerheid wel eisten dat hij van tevoren zijn littekens liet zien. Met Dautzenberg kun je het tenslotte nooit weten.

Naast nog meer bij elkaar gefantaseerde interviews (wat hem op juridische stappen van Ronald de Boer kwam te staan) haalde hij afgelopen jaar het nieuws door lid te worden van de belangenvereniging voor pedofielen Martijn – zonder zelf pedofiel te zijn. Hij deed het volgens zijn eigen verklaring ‘uit protest tegen de heksenjacht op pedofielen.’

Zelden heeft een beginnende Nederlandse schrijver in zo’n korte tijd zo veel media-aandacht weten te genereren. En de vraag dringt zich dan ook op of al deze acties niet doodgewoon briljante marketing zijn. Een schrijver heeft nu eenmaal een winkel, zoals Dautzenbergs grote voorbeeld Gerard Reve het ooit verwoordde. En tenslotte is Dautzenberg jarenlang actief geweest als economisch consultant, hoewel zijn bedrijf na zijn inspanningen voor Martijn nauwelijks klanten meer heeft. Maar ja, dat maakt de noodzaak om veel boeken te verkopen natuurlijk alleen maar groter.

Of hebben we hier te maken met een schrijver die durft wat zo weinig Nederlandse auteurs durven: via de gezag ondermijnende kracht van de literatuur ingrijpen in de meest heikele morele kwesties van onze tijd, of het nu de noodzaak van orgaandonatie is of het democratische bestaansrecht van mensen met pedofiele gevoelens?

Het mysterie Dautzenberg wordt met zijn nieuwe roman Extra tijd niet direct opgelost. Want weer weet de branieschopper uit Heerlen verwarring te zaaien, heel anders dan voorheen: namelijk met een boek dat in eerste instantie conventioneel, ja soms zelfs wat onbeholpen aandoet.

Extra tijd gaat over een gezin uit Heerlen-Kerkrade, waar zonder al te veel moeite het gezin Dautzenberg in te herkennen valt. Een simpele Limburgse arbeidersfamilie, Roda JC aanhangers: vader, moeder en twee zoons, een tweeling. En vader ligt op sterven. Dautzenbergs vader is in 2009 aan kanker overleden – iets wat hij van meet af aan tot een thema in zijn schrijverschap heeft gemaakt: Vogels met zwarte poten kun je niet eten was al aan vader Dautzenberg opgedragen en in zijn roman over zijn nierdonatie liet Dautzenberg de dood van zijn vader een belangrijke rol spelen.

In Extra tijd draait alles om het afscheid van de vader in het gezin, die in de roman de achternaam Meulenberg draagt. Hoofdpersoon Marcel, een van de twee zoons, is een schrijver en econoom ergens in de veertig, woonachtig in Tilburg-Noord, Reve-fan, depressief, metal-liefhebber, een fantast met een sentimentele inborst en van tijd tot tijd wegdromend in absurde, soms wat sadistische fantasieën.

Het autobiografische gehalte van deze roman wordt nog verder versterkt door de schrijfstijl, die opvallend afwijkt van Dautzenbergs eerdere werk. Extra tijd is een bijna pijnlijk direct boek, zonder opsmuk, ongepolijst – niet literair in zekere zin: er wordt weinig aan de verbeelding van de lezer overgelaten. Alle emoties van de familieleden die met het verscheiden van vader Meulenberg gepaard gaan worden expliciet beschreven. Sommige alinea’s zouden veel sterker hebben uitgepakt als de schrijver wat zinnen had weggelaten, de kracht van de suggestie had toegepast.

Maar dat doet Dautzenberg in Extra tijd niet, althans niet in de eerste helft van de roman. Daar staan opmerkelijk veel zinnen die eerder aan psychologische zelfhulpboeken doen denken dan aan het subversieve spel van verwarring waar Dautzenberg zich hiervoor zo graag aan overgaf. Zoals deze gedachte van Marcel, als hij mijmert over de verstandhouding met zijn tweelingbroer: ‘Allebei zoeken ze regelmatig het conflict op, dat is zo. Waarschijnlijk ook om dezelfde reden: ze proberen op die manier onprettige gevoelens weg te drukken – liefde te forceren.’

En Marcels relaas over zijn treinreis naar Limburg lijkt haast wel op het gemopper van ouden van dagen: ‘Zelfs ’s avonds laat schreeuwen de mensen continu in hun mobieltjes, alsof hun leven ervan afhangt.’ Worden we hier weer op een dwaalspoor gebracht? Of is dit simpelweg de schrijver zonder masker aan het woord, die een persoonlijk verhaal vertelt dat hij niet mooier wilde maken dan het is?

Het antwoord komt in het middenstuk van de roman, twee hoofdstukken waarin Dautzenberg zijn familiegeschiedenis voortzet in de vorm van een filmscript. Verstilde scènes vol indringende beelden brengen het drama van de stervende vader en de onbeholpen familieverhoudingen dichterbij, juist door de afstandelijkheid van de registrerende camera.

We zien het gezin wandelen over het strand van Vlieland, de vader voorzichtig schuifelend. We kijken naar kleine alledaagse momenten in het vakantiehuisje, waarvan we de onderliggende emotionele lading hebben leren kennen door de voorgaande hoofdstukken, waarin de auteur juist hierover zo expliciet was. Bijvoorbeeld over de liefde van de vader voor zijn hond, die niet meer wederzijds is nu hij niet meer in staat is om hem uit te laten.

Dautzenberg heeft in deze filmscript-hoofdstukken aan een half woord genoeg om deze pijnlijke situatie invoelbaar te maken: ‘De vader staat op. Dat gaat moeizaam. De moeder reikt hem zijn ochtendjas aan. Langzaam schuifelt hij naar de deur. Daar staat de hond. Die draait zich om en loopt weg. De camera filmt het lege bed. Een lange close-up.’

Surrealistische beelden, die in de eerste hoofdstukken duidelijk uit de fantasie van de hoofdpersoon voortkwamen, raken nu hechter verweven met de werkelijkheid. Zo is er de mysterieuze figuur van een in het zwart geklede cowboy, uit de spaghettiwestern Django afkomstig, die nu steeds meer zijn eigen leven gaat leiden: hij duikt op bij het vakantiehuis, in de duinen, op de hei. Hij zit plotseling naast Marcels vader op het strand. Ze lijken het prima met elkaar te kunnen vinden.

Een ander sterk surrealistisch beeld is de scène die volgt op de scène van Marcel die in de keuken van het vakantiehuisje champignons staat te bakken: ‘De vader zit thuis op de rand van het bed. De huisarts luistert naar zijn longen. De vader tilt zijn T-shirt op. Zijn bovenlijf zit vol met champignons. Hij plukt er een en geeft die aan de huisarts. De huisarts ruikt aan de champignon en bekijkt hem van alle kanten. Hij knikt goedkeurend.’

Het is niet moeilijk te bedenken dat dit Marcels associaties zijn, maar door ze de objectieve toon van de cameraregistratie mee te geven winnen ze aan kracht. Dautzenberg geeft zich even over aan het literaire machtsvertoon van zijn debuutbundel, maar corrigeert zichzelf dan op opmerkelijke wijze. Een van zijn eigen fantasieschimmen keert zich tegen hem: ‘Luister goed Meulenberg, ik heb zelden zo’n grote lafaard meegemaakt. Jij, met je literaire trucjes. Op dit moment maak je het wel erg bont, vind je niet? […] Laat jíj je gezicht maar eens zien. Toon eens wie je écht bent.’

En op dat moment houdt het filmscript op en keert het verhaal terug naar de aanvankelijke directe vertelstijl.

Het is nu duidelijk dat Dautzenberg zijn autobiografische verhaal met opzet zo franjeloos heeft verteld. Stijl heeft ook een inhoudelijke lading in Extra tijd. Dat heeft alles te maken met de manier waarop de verschillende familieleden met hun emoties omgaan. Daar werd van oudsher niet over gepraat, maar via omwegen konden ze er van elkaar toch achter komen wat er nu echt speelde.

Vader Meulenberg is eigenlijk alleen in staat om zijn liefde voor voetbal en voor de hond openlijk te tonen. Zelfs zijn omgang met de dood verloopt via wedstrijden van Roda JC, die op dat moment met degradatie bedreigd wordt. Ook zoon Marcel toont zijn liefde via de voetbalclub. Maar nu de dood werkelijk nadert lijken deze manieren niet meer afdoende te zijn. Het masker moet worden afgezet.

Als schrijver laat Dautzenberg in Extra tijd eveneens zijn ware gezicht zien, niet alleen door een uiterst persoonlijk verhaal over zijn familie zo expliciet te vertellen, maar ook door te tonen hoe nauw verweven ‘literaire trucjes’ en het echte leven eigenlijk zijn. Want de Dautzenberg zonder mystificaties is nog steeds een schrijver, één die literatuur dicht bij de werkelijkheid wil brengen. En zo kun je al zijn werk van de afgelopen anderhalf jaar ook bekijken: eigenlijk liet de schrijver voortdurend zijn ware gezicht zien.

In zijn boek over zijn niertransplantatie was zijn zelfonderzoek naar zijn eigenlijke motieven niet bedoeld om verwarring te zaaien, het kwam eerder voort uit een bijna puriteins verlangen naar morele zuiverheid. Ook met zijn gefingeerde interviews over economie was de achterliggende gedachte duidelijk: als íets draait om verzonnen werkelijkheden is het de economische wereld wel. En als je het in het huidige Nederlandse klimaat voor het verenigingsrecht van pedofielen opneemt, moet je dat haast wel uit principe doen. Juist op dat vlak is het eindeloos veel makkelijker om er literair mee te koketteren – met een Reviaanse knipoog. Maar wat Dautzenberg deed was precies het omgekeerde: hij zei simpelweg wat hij geloofde.

Het nadeel van veel media-aandacht is dat de schrijver op gegeven moment belangrijker wordt dan het boek. In het geval van Extra tijd zit dat risico er ook zeker in, maar dat zou onterecht zijn. Puntgaaf is het boek niet, maar dat is juist het hele idee. Dautzenberg schaamt zich niet om zich van zijn kwetsbare kant te laten zien, ook al levert dat in literair opzicht af en toe wat zwakkere momenten op. Wat hij daar vervolgens mee doet is dan weer zo meesterlijk en ontroerend, dat er na de laatste bladzijde van Extra tijd geen twijfels meer over Dautzenbergs authenticiteit hoeven te bestaan: dit is een schrijver pur sang, die telkens weer nieuwe manieren vindt om werkelijkheid en literaire verbeelding te vermengen. Niet alleen maar om in de aandacht van de media te komen, maar bovenal omdat dit nu eenmaal is wat een schrijver doet.