Buiten wonen

Buiten wonen doe je voor de rust en de stilte en de frisse lucht, ver van de hectiek van de grote stad. De rust is er, maar de stilte valt wat tegen en die frisse lucht ook, want het riekt er vaak naar koeienmest en, wat erger is, naar kippenstront. En de stilte? Een kleine dertig jaar geleden woonden wij in een boerendorp. Bijna daags werd er met tractoren gereden. Er was er één die aan het mest rijden was met een draagbare radio bij zich en daaruit klonk de hele dag het volledige repertoire van The Cats, een in die tijd populaire popgroep uit Volendam. We woonden tegenover het café aan de overkant van de weg en veel boerenknechten hadden de gewoonte daar even aan te wippen voor een paar biertjes, waarbij ze de tractor buiten gewoon lieten doorratelen. Weer lawaai en zeker geen frisse lucht.

Maar tegen zes uur in de middag gaan de boeren naar huis en daalt er een weldadige stilte over het dorp. De merels zingen, de kippen tokken zachtjes, soms schreeuwt de pauw, ook de steenuil laat zich horen, de wind ruist in de wilgen, de torenklok geeft zes slagen, maar verder is het eindelijk doodstil. Dan besef je weer waarom je buiten bent gaan wonen. Maar daar moet je wel aan gewend zijn.

Want juist rond dat uur kwam Jan Vrijman op bezoek, we zaten buiten met spijs en drank en hadden een aangenaam gesprek, tot dat moment dat alles weer heerlijk stil werd. Heerlijk voor ons, maar niet voor Jan Vrijman. Die schrok zich een ongeluk. „Wat is er aan de hand?” vroeg hij angstig, terwijl hij van zijn stoel op sprong, zijn sigaartje viel bijna uit zijn mond. „Wat gaat er gebeuren? Die stilte! Dat bevalt me niks, laten we gauw naar binnen gaan!” Ik zag wilde paniek in zijn ogen.

Een stadsmens.