Banksy is in- én outsider

Wie schuilt er achter de mysterieuze, maar razend populaire graffiti-kunstenaar Banksy? Eerst wars van de kunstwereld en nu een insider. Men raadplege zijn biografie.

Banksy’s graffiti, zoals hierboven in Berry Street in Liverpool, is speels, provocerend en mag niet museumfähig lijken. Zijn beeldtaal verwijst vaak naar vormen van low culture, zoals cartoons, strips en reclame. Zo symboliseren zijn ratten de wezens die leven aan de rand van de maatschappij (zoals hij zichzelf graag ziet) en staan de politieagenten in zijn werk voor het gezag dat zo veel mogelijk ondermijnd dient te worden. Zijn werk is onmiskenbaar intelligenter en geestiger dan de meeste kunst die je doorgaans ziet op straat, maar is ook zozeer op het effect gericht dat ze vaak net de spanning en de gelaagdheid van goede ‘museale’ kunst ontbeert (HdHJ) Foto Wikimedia Commons

Ratten, geheimzinnigheid en Robin Hood – graffitikunstenaar Banksy is al jaren een van de interessantste fenomenen in de kunstwereld. Dat komt door een opmerkelijke combinatie die je maar zelden ziet: Banksy is beroemd (zeg maar gerust: hij wordt aanbeden), zijn werk brengt tonnen op en toch slaagt hij er al meer dan tien jaar in anoniem te blijven – officieel weet niemand wie zich achter ‘Banksy’ verschuilt.

Daarmee lijkt zijn leven een prikkelende klus voor een biograaf: die kan niet alleen zijn identiteit ‘officieel’ onthullen (rumoer! publiciteit!), maar daaruit voortvloeiend ook nog bekijken wat die anonimiteit voor zijn werk heeft betekend en analyseren in hoeverre we zijn kunst beter begrijpen als we de ‘echte’ Banksy kennen. Onmiskenbaar een uitdaging.

Toch is dat precies wat journalist Will Ellsworth-Jones in zijn ‘ongeautoriseerde biografie’ Banksy. De man achter de muur niet doet. Hij komt er ook al snel voor uit: ‘(Banksy’s) naam wordt in dit boek niet genoemd’, meldt Ellsworth-Jones al op pagina 36, met een al dan niet bewuste verwijzing naar Voldemort uit de Harry Potter-boeken, ‘gewoon omdat ik dat beloofd heb aan mensen die ik over hem heb geïnterviewd.’

Dat klinkt laconiek, stoer ook, bijna zoals Banksy zelf. Alleen: voor zijn biografie heeft het vergaande consequenties. Door Banksy’s naam niet te noemen, is Ellsworth-Jones ook min of meer verplicht alles te vermijden waar die naam voor staat: Banksy’s jeugd, zijn achtergrond, zeg maar alles uit de tijd dat Banksy nog geen Banksy was.

Die keuze is extra pijnlijk omdat veel van deze informatie (zoals Ellsworth-Jones zelf ook toegeeft) op internet al jaren is te vinden: in 2008 bijvoorbeeld publiceerde journaliste Claudia Joseph in de Mail on Sunday enkele uitgebreide artikelen waarin ze vrij overtuigend aantoont dat Banksy in werkelijkheid Robin Gunningham heet en waarin ze een uitgebreide schets geeft van zijn jeugd.

Die informatie laat Ellsworth-Jones dus welbewust lopen. En waarom eigenlijk? Als lezer besef je zo al snel dat Ellsworth-Jones zich in een pijnlijke spagaat heeft gemanoeuvreerd: aan de ene kant is hij een ijverige biograaf die zijn boek welbewust niet door Banksy heeft willen laten autoriseren. Maar hij is ook een fan die het, zoals alle Banksy-fans, niet aandurft om zijn idool te beroven van zijn belangrijkste onderscheidingskenmerk: zijn anonimiteit. Uiteindelijk wint in dit boek de fan.

Machinaties

Gelukkig laat Ellsworth-Jones, in zijn ijver zijn keuze te rechtvaardigen, niet alleen zien waarom zijn anonimiteit voor Banksy zo belangrijk is, maar ook wat voor curieuze en interessante machinaties dat oplevert, die opvallend veel zeggen over de wereld van de hedendaagse kunst.

Aan het begin van zijn carrière was Banksy’s anonimiteit nog noodzaak, simpelweg omdat het met stencils graffiti op muren spuiten strafbaar was (en is). Later, toen zijn werk, dat vooral bestaat uit humoristische en sarcastische commentaren over de moderne wereld (reden waarom het als graffiti ook goed werkt), steeds meer geld ging opbrengen, werd die anonimiteit vooral een goed verhaal waarmee Banksy een aura van onmaatschappelijkheid, mysterie en illegaliteit wist te creëren.

Ellsworth-Jones, zelf duidelijk geen liefhebber van de gevestigde kunstinstituties, legt sterk de nadruk op Banksy’s buitenstaanderschap: niet alleen maakt de kunstenaar zijn belangrijkste werk illegaal en zonder aankondiging op publieke muren, hij verkoopt zijn prints vooral via internet en weigert te werken met galerieën uit het ‘officiële’ circuit.

Ondertussen heeft die strategie niet kunnen ‘voorkomen’ dat Banksy’s werken tegenwoordig vele tienduizenden euro’s opbrengen, waarmee de zelfverklaarde buitenstaander alsnog onderdeel van ‘het systeem’ is geworden – is het niet de kunstwereld dan toch op zijn minst het kapitalisme.

Precies die worsteling, door Ellsworth-Jones goed beschreven, maakt De man achter de muur interessant. Soms zijn Banksy’s dilemma’s artistiek: doordat hij illegaal en in anonimiteit werkt zijn zijn werken in het verleden zo vaak vernield en verwijderd dat een groot deel van Banksy’s oeuvre alleen nog maar op (archief)foto’s bestaat. Tegelijk maakte diezelfde anonimiteit het lange tijd heel moeilijk om vast te stellen of een Banksy-print of muurstencil ‘echt’ was – vooral voor de kunsthandel een dilemma, omdat ‘Banksy’s’ steeds meer waard werden en er steeds meer ‘valse’ opdoken. Uiteindelijk boog Banksy zelf het hoofd: in 2008 richtte hij het bedrijf Pest Control op, waar je tegenwoordig voor 65 pond kunt laten controleren of een werk een Banksy echt is.

Maar daarmee zijn de problemen nog niet uit de wereld. Zo beschrijft Ellsworth-Jones uitgebreid de praktijken van premiejagers en ‘kunsthandelaren’ die, nu Banksy zo populair is, ertoe overgaan complete muren (soms vele tonnen in gewicht) met veronderstelde Banksy’s erop uit te zagen en naar een galerie te vervoeren. Om er vervolgens achter te komen dat Pest Control weigert zulke werken (vaak wel door Banksy zelf gedocumenteerd) te voorzien van een officieel certificaat: omdat het bedrijf zich op het standpunt stelt dat Banksy’s alleen maar functioneren in hun originele context.

Watertank

Een mooi voorbeeld daarvan is het verhaal van vier jonge Amerikaanse vrienden die de hand hadden weten te leggen op een immense watertank waarop Banksy (volgens diens eigen website) de tekst ‘THIS LOOKS A BIT LIKE AN ELEPHANT’ had gekalkt. Voor duizend dollar kochten de vier de tank van de gemeente Los Angeles om het ding met een enorme vrachtwagen naar een loods te vervoeren, ongetwijfeld in de hoop er een paar ton voor te kunnen vangen. Toen echter bleek dat Pest Control weigerde een certificaat af te geven, werd de tank bij toverslag zo goed als waardeloos en belandde die uiteindelijk op de schroothoop. Banksy, kortom, lijkt ‘het systeem’ zelf ondertussen ook aardig onder de knie te hebben.

Dit soort verhalen en de analyse van Banksy’s worsteling met zijn ‘buitenstaanderschap’, maken De man achter de muur voor een groot deel de moeite waard, al moet je je soms wel door veel insider-anekdotes heen worstelen. Ellsworth-Jones had een goed idee en heeft interessant materiaal; dat maakt het des te spijtiger dat hij zichzelf uiteindelijk toch niet aan het Banksy-circus heeft durven onttrekken.