Het seksueel voordeel van mooizingers

Vogelzang lijkt op mensenmuziek. Of toch niet? Dezelfde genen en hersengebieden zijn erbij betrokken, zeggen sommige onderzoekers. Vogelzang staat volledig in dienst van seksuele selectie. Maar mensenmuziek misschien ook.

Vogelzang klinkt ons als muziek in de oren. Geen wonder, het idee dat vogelzang muziek is, om de mens te plezieren, zit immers diep in de menselijke cultuur verankerd. Vogelzang heeft waarschijnlijk geen nut voor de vogel zelf, schreef de Britse natuurtheoloog William Paley (1743-1805). Vogelzang, bloemen, zonsopgangen, bergtoppen, de schepper was volgens Paley zo goed geweest om de tobbende mens wat moois mee te geven.

Paley leefde nog toen biologen al voorzichtig opmerkten dat vogels alleen in het voorjaar zingen, vooral de mannetjes. Ze opperden dat vogels er hun gebiedsgrenzen mee afbakenen en andere mannetjes intimideren. Toen kwam Darwin. Die schoof de vogelzang de biologische wetenschap in. Hij schreef in 1871: „De echte zang van de meeste vogels, en verschillende vreemde uitroepen worden vooral geuit tijdens het broedseizoen. Ze dienen om de andere sekse te verleiden, of eenvoudigweg als lokroep.”

Daarmee kreeg vogelzang een keiharde rol in de seksuele selectie. Vrouwenvogels kiezen mooizingende, fitte exemplaren om mee te paren. De mooizingers hebben een grotere kans om hun genen door te geven. Sommige zingen zich echter dood, door opwinding over een indringer, of door uitputting. Dat was Darwin ook opgevallen. Individueel voordeel is er dus niet, het is seksuele selectie.

Er bestaat het idee dat vogelzang en mensenmuziek veel gemeenschappelijk hebben. Ook neurobiologisch: er zijn overeenkomstige genen actief, en hersengebiedjes die wel wat op elkaar lijken. En vogels leren zingen zoals mensen leren praten en zingen. Is muziek bij de mens dan ook belangrijk voor de seks en voortplanting? Evolutiebiologen vinden van wel, maar de strijd met etnomusicologen en antropologen die andere verklaringen hebben voor het belang van muziek voor de mens is nog niet beslecht.

Er zijn sprekende voorbeelden. Neem Jimi Hendrix. De legendarisch creatieve gitarist overleed zoals veel muzikanten op 27-jarige leeftijd, waarschijnlijk aan een overdosis pillen en drank. Beroemde platenalbums en honderden concerten verschaften hem dus geen betere overlevingskansen. Maar de seksuele selectie werkte wel, schrijft evolutiepsycholoog Geoffrey Miller over Hendrix. Hij had seks met honderden groupies en kreeg minstens drie kinderen. „In de oertijd, voor de geboortecontrole, zouden het er veel meer zijn geweest”, concludeert Miller.

Liedjes over de liefde

Het Hendrix-voorbeeld staat in het boek The Origins of Music (MIT Press, 1999). Miller schreef daarin het fantastisch cynische hoofdstuk Evolution of human music through sexual selection. Hij veegt de vloer aan met de theorieën die beweren dat muziek een gunstig en prettig neveneffect is van onze mooie grote hersenen, van ons geweldige bewustzijn, van onze cultuur. En met de antropologen die zeggen dat muziek zo nuttig was voor de groepsbinding onder de jager-verzamelaars. Of goed zou zijn voor het verrichten van ritmisch werk. Miller: „Jammer voor de theorie dat dat soort werk vrijwel afwezig was bij jager-verzamelaars.”

Nee, het gaat om seksuele selectie, houdt Miller vol. Een greintje van bewijs heeft Miller niet, maar waarom gaan anders bijna alle liedjes over de liefde? Waarom rolt uit een analyse van ruim 7.000 jazz- en rockalbums en klassieke composities dat de muzikanten of componisten tienmaal zo vaak man als vrouw zijn? En dat hun muzikale productie het grootst is rond hun dertigste, als hun paringspogingen en -activiteit op het hoogtepunt zijn?

Miller wil onderzoek dat laat zien wat muzikaliteit in popmuziek en klassieke muziek seksueel gezien oplevert, zowel in oude culturen als de moderne maatschappij. Dat onderzoek is er niet. En er zijn tegenstanders die zeggen dat de menselijke cultuur de laatste 1.000, of 2.000 of 5.000 jaar zo overheersend is geworden dat uitspraken over de rol van seksuele selectie bij mensenmuziek inmiddels onmogelijk zijn.

Vogelzang staat echter wel volledig in dienst van de seksuele selectie. Onder evolutiebiologen is het onomstreden. Volgens de ene theorie verschilt vogelzang daarin van mensenmuziek. Volgens de andere theorie niet.

Zo is het met álle vergelijkingen tussen vogelzang en mensenmuziek. Net als de evolutiebiologen zijn er genetici, neuro- en gedragsbiologen die vooral de overeenkomsten zien. En anderen zijn op de verschillen uit.

Natuurlijk, er zijn bij mensen en vogels overeenkomstige genen betrokken bij zang en stem. En er zijn met wat goede wil ook overeenkomstige hersendelen aan te wijzen. Maar veel van die hersendelen zijn bij mannetjesvogels in het voorjaar flink vergroot. Bij mensenmannen niet.

Dat dezelfde genen betrokken zijn, betekent niet dat vogelzang en mensenmuziek een gezamenlijke oorsprong hebben. Het is niet gezegd dat de laatste gezamenlijke voorouder van vogel en mens die 250 miljoen jaar geleden leefde ook al zong. Veel voorouders van de mens zwegen misschien liever. Nogal wat apen hebben niets met geluid en muziek. Ze verkiezen de stilte.

Vogels zijn virtuozer

De overeenkomstenzoekers zeggen dat vogelzang en muziek allebei zo melodieus zijn. Ze horen roodborst en merel mooie melodieën fluiten. Maar Amerikaanse en Canadese onderzoekers lieten vorig jaar de verschillen zien. Ze analyseerden de zang van 80 vogels uit 54 zangvogelfamilies. En ze draaiden ruim 9.000 volksliedjes uit Europa en China door de melodie-analysecomputer. De overeenkomst is dat de melodieën vaak een ‘boogvorm’ hebben en vaak eindigen met een relatief langdurende toon. Zangvogels en volksmuziek hebben dat allebei. Maar mensenmelodieën hebben gemiddeld veel kleinere toonsafstanden tussen opeenvolgende noten dan vogels. Vogels zingen virtuozer.

Misschien is het daarom dat veel klassieke-muziekcomponisten zo van vogelzang houden. Vogels kunnen wat hun zangers en musici moeilijk vinden: grote toonhoogtesprongen, moeilijke intervallen.

Geen kunst. Mensen hebben maar één strottenhoofd (larynx) met één stel stembanden. Vogels hebben een syrinx, met twee geluidsproducerende membranen die ze onafhankelijk van elkaar bedienen. Een lage toon aan de ene kant laten ze moeiteloos volgen door een hoge toon van de andere kant. Jaloersmakend, voor zangeressen die met hun ene strottehoofd liederen van Anton Webern instuderen.

Vogelzang lijkt trouwens meer op moderne klassieke muziek dan op Mozart of Beethoven. Niet alleen vanwege die grote en moeilijke intervallen, maar ook door de eindeloze herhalingen. Het eindeloze tie-tie-tèè tie-tie-tèè van de koolmees heeft alle kenmerken van de vroege minimal music van Steve Reich. En hoor de nachtegaal, met zijn experimentele rollers, tikken en kwarttoonsmuziek. Weinig mensen houden van moderne muziek, maar bijna iedereen vindt – verbazingwekkend eigenlijk – vogelzang mooi.

Gelukkig zijn er uitzonderingen. Duinrandbewoners schoten vroeger – willen de verhalen – ten einde raad wel eens een schot hagel door het struikgewas waar de hele nacht nachtegalen kweelden. De koolmees die dit voorjaar in de appelboom voor mijn slaapkamerraam in alle vroegte zijn drie beschikbare deuntjes luidkeels honderden keren herhaalde, werd doodgewenst door de overbuurvrouw. En de dochter van een collega die in het weekend haar studentenkamer in het lawaaiige centrum van Amsterdam ontvluchtte om rustig ‘thuis’ te kunnen slapen haatte de merel die om vijf uur vlak voor haar raam zong.