Gevangenis

Dwalend over het Stockholmse eilandje Långholmen stuitte ik op een eigenaardig gebouwencomplex met veel kleine ramen. Het bleek 250 jaar lang een gevangenis te zijn geweest. Tot 1975 – toen werd het gerestaureerd en kreeg het een bestemming als hotel.

De deuren stonden open, er werd schoongemaakt en ik kon enkele gangen binnenlopen. De structuur van de vroegere gevangenis was volledig gehandhaafd: lange hoge gangen waarop twee verdiepingen uitkwamen met een aantal identieke cellen achter smalle stevige deuren. Die cellen waren nu keurige hotelkamers.

Het leek me een macaber idee: vakantie vieren in ruimten waarin mensen ooit de gruwelijkste jaren van hun leven hadden doorgebracht.

Toen deze gevangenis in 1725 gebouwd werd, stond Stockholm met zijn 70.000 inwoners nog bekend als de smerigste stad van Europa. De mensen leefden onder erbarmelijke sanitaire omstandigheden, het sterftecijfer was hoog. De straten waren gevuld met dieven, hoeren en dronkaards. Een deel van hen kwam in deze gevangenis terecht. Hoe verging het hun?

Een vleugel van het gebouw is inmiddels als museum ingericht. De meeste reisgidsen vermelden het niet, maar toch is het de moeite waard. Er is één cel in oude staat ingericht en verder zijn er vitrines met tal van bewakingsattributen. Ik liep de cel binnen, een donker hol, en deinsde bijna meteen weer terug toen ik de man zag die me, gezeten in de hoek, dof aanstaarde. Voor een pop zag hij er zeer menselijk uit – een mens die veel geleden had.

Aan de muur hing een rooster met dagindeling, in de hoek was een kastje met pispot en er stond een opklapbed dat overdag als tafel dienst deed. Dit alles kon beschenen worden door een schraal gaslampje. Het was kil en vochtig in zulke cellen. In de loop van de dag vormde zich zoveel condenswater dat het onder het raamkozijn via een v-vormige inkeping in een beker moest worden opgevangen. De gevangenen kwamen alleen uit de cel om te werken. Op zondag mochten ze hun deur op een kier zetten om de preek van de kapelaan op de gang te kunnen volgen. Het was hun enige vertier.

Aan de wanden van het museum hingen de portretten van een aantal gevangenen met hun levensverhalen. Hartbrekende stof voor romans.

Daar hadden we Per Nilsson met zijn snorretje en platte haar-met-scheiding. Hij bekende dat hij op 28 maart 1890 zijn vrouw had vermoord. De rechter vroeg hem of hij even de knoop wilde leggen waarmee hij zijn vrouw gewurgd had. Het lukte Per niet. Justitie zocht verder en ontdekte dat de vrouw niet door Per, maar door zijn moeder vermoord was. Zij was een jaloers kreng en had een incestueuze relatie met haar zoon. De moeder werd onthoofd, Per moest wegens medeplichtigheid 23 jaar brommen op Långholmen.

Treurig was ook het lot van Per Vilhelm Lundgren, geboren in 1832. Hij heeft in totaal vijftig jaar op Långholmen vastgezeten. Hij waagde tijdens een boottocht een vluchtpoging die slecht afliep. Een bewaker verdronk, twee andere gevangenen gaven Per de schuld. Na veertig jaar werd hij vrijgelaten, maar hij wilde eigenlijk niet meer weg, hij was bang geworden voor de wereld. Twee nieuwe veroordelingen brachten hem terug naar Långholmen. De kapelaan zei: „Wat een storende ervaring…deze sterke man die ooit zo lang wanhopig gehoopt had de gevangenis niet meer te zien.”

Wanhopige hoop – die woorden hadden wel boven de ingang van deze gevangenis mogen staan.