De Bovenbazen (70)

De opkomende zon scheen door de ramen van Bommelstein en overtoog de vervallen trekken van de heer Steenbreek met een rossige gloed. Maar dat vrolijkte hem niet op, terwijl hij uitgezakt naast het telefoontoestel zat.

‘Ja maar,’ stamelde hij in de hoorn. ‘Ik kon er werkelijk niets aan doen! Hoe kon ik nu weten dat obb zelf de uitvinder was? Hij heeft het zó ragfijn gespeeld dat ik geen enkel vermoeden had. Werkelijk, meneer Steinhacker…’

Uit het toestel klonk zó’n snerpende uitroep, dat zelfs heer Ollie, die op de achtergrond wijlde, opschrok.

‘Eh… aws!’ riep Steenbreek nog. Maar het was reeds te laat, de verbinding werd met een klik verbroken.

‘Dit is het einde,’ prevelde de secretaris uitgeblust. ‘Ik ben ontslagen! Ik vlieg er uit…’

‘Zo,’ zei heer Bommel. Voor het eerst sinds lange tijd brak er een glimlach door op zijn vermoeid gelaat en hij haalde diep adem.

‘Zo,’ herhaalde hij. ‘Juist! Er is dus nog rechtvaardigheid, als u begrijpt wat ik bedoel. Er uit!’

‘Wat bedoelt u?’ vroeg de ander dof.

‘Er uit!’ hernam heer Ollie. ‘Ik mag niet met minvermogenden omgaan, meneer Steenbreek! Weg met u en met de hele troep hier!’

Met deze woorden opende hij de poorten – en even later kon men de bovenbaasknechten en de gewezen secretaris het gastvrije slot zien verlaten.