Vergeleken met de Britse renners is iedereen amateur

Zeven van de tien gouden medailles op de baan gingen naar Britse renners. Chris Hoy en consorten liggen mijlen voor op de rest. Met dank aan de mysterieuze Secret Squirrel Club.

God redde de Koningin. Opnieuw. Opnieuw. Opnieuw. Opnieuw. Opnieuw. Opnieuw. En opnieuw. Tien gouden medailles waren er te verdelen op de wielerbaan en zeven keer eindigde het met het Britse Engelse volkslied. Alle baanrenners – of ze nu uit Oost-Londen of Venezuela komen – kunnen God Save The Queen intussen dromen.

Het begon vijftien jaar geleden met een plan en een zak geld. Groot-Brittannië presteerde op de Olympische Spelen van Atlanta zó slecht (slechts één gouden medaille, 36ste plaats in het medailleklassement) dat de overheid besloot in te grijpen. Het moest anders. Er werd geld in de sport gepompt – naar schatting 500 miljoen euro per jaar – om sportinstituten op te richten, trainers op te leiden en scholieren met talent te scouten.

Eén van de speerpunten van de nieuwe Britse sport werd het baanwielrennen.

Het heeft zichzelf uitbetaald. In Athene wonnen de Britse baanrenners goud, in Peking kraakten ze Fort Knox (acht keer goud) en in Londen deden ze het nog eens dunnetjes over. De wielerbaan is een Britse kolonie geworden, en de laatste jaren wordt hetzelfde model ook met succes toegepast op het wegwielrennen. De Britten hebben wielrennen veranderd met nieuwe trainingsmethodes, nieuwe voedingsschema’s en nieuwe fietsen. Vooral over dat laatste is in Londen nogal wat te doen. Het materiaal van de Britten is omgeven met mysteries.

Achter de schermen werkt al jaren een team van materiaalgoeroes onder leiding van oud-wielrenner Chris Boardman. Het team noemt zichzelf The Secret Squirrel Club. Ze hebben een schier oneindig budget; alles is mogelijk. Iedere ieniemienie-verbetering van 0,0001 procent is er één: een boutje zus, een moertje zo. Ze werken aan bandjes die nóg harder kunnen worden opgepompt, aan nog stijvere carbonsoorten en speciale metaallegeringen die smelten als de fiets vaart maakt. Aan sponsorcontracten of commerciële belangen doen ze niet. The Secret Squirrel Club koopt en produceert vrijwel alles zelf – exclusief voor het Britse baan- en wegwielrennen. Wat The Club precies doet blijft geheim. Je kunt het Chris Boardman vragen, maar zijn standaard antwoord is: „Als ik dat vertel, zal ik je moeten vermoorden.”

Op deze Olympische Spelen rijden de Britten – op de baan, maar ook op de weg – op fietsen die niemand daarvoor ooit gezien heeft. Een merk zit er vaak niet eens op – ze zijn zwart met zwart. Renners en begeleiders van andere landen mogen de fietsen niet van dichtbij zien; voor en na wedstrijden verdwijnen de fietsen uit het zicht.

Het drijft de rest van de wereld tot waanzin. Njisane Philip uit Trinidad zei na uitschakeling in het sprinttoernooi (hij verloor kansloos van de Britse sprintbom Jason Kenny): „Ik weet niet wat het is. Volgens mij zijn het de Britse fietsen. Ik vind dat ze mij er ook zo een moeten geven.” De Fransen, de Duitsers, de Australiërs – ze denken er allemaal hetzelfde over.

De Nederlandse baanfietsen zijn een lachertje vergeleken met de Engelse bolides. Teun Mulder, die op de keirin zorgde voor de enige Nederlandse baanmedaille, rijdt op hetzelfde model Koga als waar Theo Bos vier jaar geleden op reed in Peking. En die fiets was destijds al gedateerd in vergelijking met de Engelsen. De Nederlandse baanrenners reden in Londen op fietsen die „kraken onder je zak” en „alle kanten op slingeren behalve de goede”. Bovendien wegen de fietsen van de Nederlanders doorgaans meer dan een kilo zwaarder dan die van de Engelsen.

Een betere fiets werkt ook psychologisch door, en dat beseffen de Britten heel goed. Ze cultiveren de mysteries rond hun materiaal – de goeroes noemen zichzelf niet voor niets The Secret Squirrel Club. Met hun geheimzinnigheid maken ze hun tegenstanders de kop gek, net zoals Lance Armstrong dat vroeger deed met Jan Ullrich. Armstrong liet een hypermoderne tijdritfiets ontwikkelen, maakte er een hoop poeha over („This is the best bike ever”), maar gebruikte ’m uiteindelijk niet eens – Ullrich dacht desondanks dat hij bij voorbaat al verloren had.

Maar de Britse overheersing zit niet alleen in het materiaal. Ze winnen op alle terreinen een beetje. Ze hebben het meeste geld, de meeste kennis, de beste trainers, de beste psychologen, de beste diëtisten, de beste meetapparatuur, de meeste begeleiders en bovendien kunnen ze vissen uit een enorme vijver met talent. Zet het allemaal bij elkaar en je blaast de concurrentie uit het water.

Tim Veldt, lid van de Nederlandse achtervolgingsploeg, zei na het baantoernooi: „Zij zijn profs, wij zijn amateurs.”

Het is een harde conclusie, maar het is de enige juiste.