Vaderlandsliefde

Kort na vijven belde mijn vrouw me gistermiddag op. Ze kwam uit het centraal station van Amsterdam waar ze getuige was geweest van een bijzondere gebeurtenis. „Een grote groep mensen, jong en oud, stond in de hal euforisch te klappen en te juichen voor een tv-scherm. Epke Zonderland had net zijn oefening gedraaid. Het moet schitterend zijn geweest. Hij gaat goud winnen.”

Ik had geen tv in de buurt en voelde me overspoeld door een golf van spijt. Kon ik eindelijk weer eens trots op Nederland zijn, gaf ik niet thuis.

Zelfs wie denkt dat hij geen overdreven last heeft van vaderlandsliefde, is voldaan als een landgenoot een goed figuur slaat – al was het maar aan een rekstok. Ik besefte het weer toen ik in mijn vakantie door de fraaie musea en boekhandels van Stockholm struinde. Was er een spoor te vinden van Nederlandse kunst? Onwillekeurig was ik er steeds naar op zoek.

Helaas (daar ga ik weer) hield het niet over. In het Nationalmuseum liep een tijdelijke tentoonstelling over het thema passie. Er hing nogal wat van Rembrandt, maar van de hedendaagse kunstenaars was het alleen fotografe Rineke Dijkstra die veel aandacht trok met haar video-installatie The Weeping Woman. Je ziet close-ups van Engelse scholieren die naar een door Picasso geschilderde huilende vrouw kijken. Het schilderij zelf komt niet in beeld, er zijn alleen de gezichten van de scholieren en je hoort hun commentaar. Het schilderij raakt hen, hun spontaan geformuleerde ontroering slaat ook op de toeschouwer over.

Goud voor Rineke!

Een veel minder bekend museum is dat van prins Eugen, een adellijke kunstverzamelaar en schilder uit de vorige eeuw: het heet Waldemarsudde en staat op het eiland – Stockholm bestaat uit veertien eilanden – Djurgården. Eugen verzamelde Scandinavische (Josephson, Zorn) en buitenlandse grootheden (Munch, Rodin), maar Nederlanders kwam ik in zijn schitterende paleisje niet tegen.

De literatuur dan? ‘Helaas’. In de jaren zeventig was Jan Wolkers een veelgelezen schrijver in Zweden. Hij gaf er lezingen, werd vaak geïnterviewd – Zweedse journalisten kwamen ervoor naar Nederland. Maar nu kwam ik geen boek meer van hem tegen, noch van enige andere Nederlandse schrijver.

In het centrum van de stad, op Drottninggatan 88, staat een restaurant, Rydbergs geheten, waar je authentiek Zweeds kunt eten. Er kwamen vroeger veel bekende Zweedse kunstenaars. Het eten bleek redelijk, maar interessanter waren de honderden foto’s van kunstenaars – vooral schrijvers – aan de wanden. Er hing één Nederlander tussen en zijn naam werd ook nog foutief gespeld: ‘Piet Mondrian’.

Rest mij een nog triestere constatering: onze populairste kunstenaar uit de vorige eeuw was een troubadour die wij zelf nauwelijks zagen staan: Cornelis Vreeswijk. Bij gebrek aan succes in eigen land week hij uit naar Zweden, waar hij een poosje een gevierd artiest was. Na zijn dood in 1987 bracht hij het zelfs tot een klein museum in Gamla Stan, de mooie oude stad. Een dure plek, te duur nu ook Cornelis vergeten raakt. Het museum werd vorig jaar gesloten.

Wat het langst van Cornelis zal overblijven, is een fraaie grafsteen met zijn sierlijke handtekening erop. Ik trof het graf in een buitenwijk, achter de Katarinakerk. Het lag met een handvol andere graven in een parkje waar mensen tussen de graven zaten te zonnen. Dat zag ik vaker in Stockholm: zonnen met de doden.

Waarom niet?