Suriname, dat eiland vol Javanen

Morgen is het 122 jaar geleden dat de eerste Javanen aankwamen in Suriname om te werken. En nu kan het land opnieuw mankracht gebruiken.

Als ik aan taxichauffeurs in Jakarta vertel dat ik uit Nederland kom, kijken ze onderzoekend in hun achteruitkijkspiegel. Met mijn donkere huid en bruine krullen zie ik er niet uit als de gemiddelde londo. Vaak raden ze zelf hoe het zit. Komt mevrouw uit Suriname?

Iedereen kent hier Suriname, het land waar mijn moeder vandaan komt. Kom daar maar eens om in de rest van de wereld. Indonesiërs denken weliswaar dat het een eiland is voor de kust van Nederland, maar toch. Een eiland waar bovendien alleen Javanen wonen. Want de volgende vraag laat nooit lang op zich wachten. „Oh, maar je spreekt dus Javaans?” Dat dan weer niet – mijn verre voorouders komen uit Afrika.

Hier hebben mensen veel sympathie voor dat kleine landje waar hun Javaanse broeders wonen. Op televisie worden elk jaar wel programma’s uitgezonden over Suriname. Sommigen herinneren zich het bezoek van een Javaans-Surinaamse minister. Een bezoek dat voor enig gegniffel zorgde. Want het hoog-Javaans dat hoogwaardigheidsbekleders met elkaar bezigen, is blijkbaar niet meegereisd met de contractarbeiders die naar Suriname werden verscheept. Wat een grap, een minister die praat als een rijstboertje!

Morgen viert men de datum waarop de eerste Javanen 122 jaar geleden in Suriname aankwamen. Arme boeren van het dichtbevolkte platteland van Java. De Nederlandse koloniale regering wilde hen aan het werk zetten op de Surinaamse plantages die door de afschaffing van de slavernij nieuwe mankracht nodig hadden. Tot 1939 zouden zo’n 30.000 Javanen de overtocht maken.

Onder hen waren de ouders van de 69-jarige Sarmoedjie, die ik ontmoet in zijn huis in het oosten van Jakarta. Geboren in het Surinaamse rijstdistrict Nickerie en door stom toeval als enige van zijn gezin weer op Java beland. Maar de gepensioneerde kolonel uit het Indonesische leger is zijn geboorteland nog niet vergeten. Speciaal voor deze gelegenheid spreekt hij Nederlands doorspekt met ‘taki taki’, zoals hij het Surinaams noemt.

Hij vertelt hoe zijn ouders rond hun zeventiende jaar werden overgehaald om de overtocht te maken. In Suriname was het leven beter, zeiden de ronselaars. Alles zou worden betaald. Eenmaal aangekomen viel het hun vies tegen, volgens Sarmoedjie. „Het werk was heel zwaar en het was verplicht. Hier in Indonesië werkten ze niet zo hard.” Bovendien werd er op hen neergekeken door de creolen en de Hindoestanen, die al langer in Suriname woonden. Lau-lau Japanesi, moesten ze aanhoren. Gekke Javanen.

Na vijf jaar contractarbeid zou Nederland de terugreis betalen. Zo’n 7.500 arbeiders deden dat. Maar meestal was de praktijk anders , zegt Sarmoedjie. Gezinnen die terugwilden, moesten eindeloos wachten op een plek op de boot. Wie zich vestigde, kreeg een premie van 100 Surinaamse gulden. Veel Javanen voelden zich gedwongen om die te accepteren; Sarmoedjie vermoedt dat dat zijn ouders ook gebeurde.

Maar de heimwee bleef. Dus toen Indonesië in 1949 onafhankelijk werd, maakten vele Javanen zich op voor een terugkeer. Sarmoedjie en zijn pleegvader mochten in 1954 mee op de eerste boot, de Langkoeas. Als achtste van tien kinderen was hij weggegeven aan een kinderloos echtpaar, zoals nog altijd vaak gebeurt op Java. Zijn echte ouders en broers en zusters, met wie hij nauw contact had, zouden op de volgende boot stappen.

Terwijl de 11-jarige Sarmoedjie genoot van de lange vaartocht, wist hij nog niet dat die volgende boot er nooit zou komen. Doordat Nederland en Indonesië ruzie kregen over Nieuw-Guinea en door gebrek aan geld kwam de massale terugkeer niet van de grond, weet hij nu. De ruim duizend passagiers van de Langkoeas zouden de enige officiële remigranten blijven.

Wat ook meespeelde, is dat bijna alle repatrianten spijt kregen. Zo ook zijn pleegvader, zegt Sarmoedjie. De regering van Soekarno wilde geen land op het dichtbevolkte Java voor hen inruimen; ze kwamen terecht in het dorp Tongar op Sumatra. Midden tussen de Minangkabau, die zo’n andere cultuur hebben. Er was nog niets; om groente te verbouwen moesten de Surinaamse Javanen zelf het bos omkappen. Sarmoedjie herinnert zich hoe hij in Suriname een houten huis en tientallen geiten had. Hun huisje in Tongar was van bamboe.

Nog altijd wonen in Tongar enkele tientallen Surinaamse Javanen en hun nageslacht. Anderen, zoals Sarmoedjie, zijn uitgewaaierd over de archipel. Door keihard te werken wist Sarmoedjie op te klimmen tot kolonel. Hij heeft het gemaakt, vindt hij. Voor al zijn drie kinderen heeft hij huizen kunnen kopen. „Nu denk ik: gelukkig ben ik teruggegaan. Anders was ik misschien nog een boer in Nickerie.”

Twee jaar geleden werd Sarmoedjie eindelijk herenigd met zijn broers en zussen, toen hij voor het eerst zijn geboorteland bezocht. Een Indonesische televisieploeg legde de ‘thuiskomst’ vast. Een half jaar later vierde hij zijn 68ste verjaardag in Paramaribo. Op een dvd laat hij zien hoe hij te midden van stoere neefjes en schaars geklede nichtjes op bigi pokoe danst. „Er werd gedanst en cabaret gespeeld tot en met bam”, geniet hij nog na. En dat terwijl Javanen op feestjes niet dansen.

Het was niet het enige verschil tussen Sarmoedjie en zijn Surinaamse familie. Aanvankelijk schrok hij van de onbeleefdheid van zijn jonge familieleden. Ze raakten zomaar zijn hoofd aan. Begonnen met eten zonder te wachten tot de ouderen klaar waren. En ze praatten zo hard. „Dat komt misschien door hun omgeving, want de negers hebben een heel harde stem.”

De repatriant heeft Suriname inmiddels helemaal omarmd. In oktober hoopt hij het land weer te bezoeken; dit keer met een handelsmissie. Enthousiast haalt hij een grote doos dodol tevoorschijn: plakkerig snoep gemaakt van kokosmelk en rijstebloem. Voor de export naar Suriname. En dat is slechts het begin. Hij ziet ook een markt voor leren jassen, schoenen, kunstmest, batik en zonnecellen.

Bovendien hebben ze in Suriname mankracht nodig, zegt hij, want het land heeft veel te weinig inwoners. „Ik wil er mensen naartoe brengen om op de palmolieplantages te werken.” Tijdelijke contracten van een paar jaar. Al mogen de werklui natuurlijk ook blijven, als ze dat willen. Sarmoedjie is zo enthousiast over zijn plan dat de ironie hem ontgaat.