Sehgal verheft praatje maken tot kunst in Tate

Tino Sehgal (midden) en een aantal van zijn Londense medewerkers: hij werkt met mensen als kunst in Tate Modern. Foto AP

These Associations. Tino Sehgal. Tate Modern, Turbine Hall, Londen. T/m 27 okt. Dag. 10-18u, vr 10-22u. Inl. tate.org

De gigantische hal van het museum is leeg. Er hangen geen schilderijen, er staan geen beelden, er wordt geen film vertoond. Er lopen mensen rond, maar dat is in deze hal gebruikelijk. Toeristen en Londenaren die in de Turbine Hall kaartjes kopen voor een van de tentoonstellingen in de rest van de Tate Modern. Kunst wordt het pas als een deel van die mensen opeens allemaal tegelijkertijd achteruit begint te lopen, op de grond gaat zitten, met een onzichtbare bal speelt of neuriet. Of is het dan nog steeds geen kunst?

De Turbine Hall van de Tate Modern is elke zomer het domein van een kunstenaar die speciaal voor deze ruimte een werk maakt. Ai Weiwei vulde hem met porseleinen zonnebloempitten, Carsten Holler met glijbanen en Olafur Eliasson met de zon. Dit jaar is het de beurt aan de Duits-Britse kunstenaar Tino Sehgal (1976), die als eerste geen enkel ding in de hal zette. Zijn kunst is een choreografie van alledaagse gebaren en bewegingen, uitgevoerd door mensen die zich samen niet onderscheiden van de bezoekers van de Tate; ze zijn niet allemaal oud of jong of man of vrouw. Als je er niet van weet, zou je deze kunst makkelijk kunnen missen. Er hangen ook geen borden die mededelen dat er hier toch een kunstwerk te zien is. Een catalogus is er ook niet. Sehgal laat zijn werk niet fotograferen of documenteren; het mag alleen in de herinnering bestaan. Alleen tegen fotograferende bezoekers verzet Sehgal zich niet; misschien omdat hij weet dat dat toch niet kan: misschien omdat er dankzij de mobiel bijna geen ongefotografeerde herinneringen bestaan.

Van bovenaf gezien, op de brug boven de Turbine Hal, ziet These Associations, zoals Sehgals werk heet, er niet spectaculair uit. Ook als je het wel weet, levert het schouwspel weinig schoonheid op; zelfs de schoonheid die hier voor de hand ligt, die van het synchroon bewegen van grote groepen mensen, bekend van zowel militaire parades als musicals, wordt hier niet uitgebuit. These associations is eerder berm dan keukenhof, om het met bloemen te zeggen.

Er bestaat een theorie die zegt dat kunst bedoeld is om meer van de werkelijkheid te genieten, daar beter naar te kijken. Dankzij een schilderij van Coorte is een aardbei aandacht waard, dankzij Van Gogh werd de cypres ook ongeschilderd oogstrelend. Het werk van Sehgal heeft hetzelfde effect, al was het maar omdat je je voortdurend afvraagt of een man of vrouw bij het werk hoort of een gewone bezoeker is. Ook gewone bewegingen als gaan zitten of staan zijn dankzij Sehgal niet gewoon meer.

Het bijzonder maken van het gewone is in de beeldende kunst van de twintigste eeuw een traditie geworden, met voormannen als Duchamp en Cage. Tegelijk met Sehgals werk, zijn pal naast de Turbine Hall in Tate Modern de Tanks opengegaan. In de oude olietanks onder het museum is plaats voor kunstgenres als performance, extended cinema, invisible theater, die in de twintigste eeuw een steeds belangrijker rol zijn gaan spelen in de beeldende kunst.

Wie door de turbinehal loopt, leert de uitvoerders van These associations steeds makkelijker herkennen. Ze hebben om te beginnen geen jassen en geen tassen bij zich. En ze maken oogcontact, ze kijken niet weg als je ze aankijkt. Is nu ook de flirt kunst geworden? Sehgal doorbreekt in zijn werk een grens die bijna alle kunst gemeen heeft. In het theater heet die grens de vierde wand; het is de onzichtbare muur die de toeschouwers van de spelers scheidt. In het museum is zo’n wand er eigenlijk ook: schilderijen en beelden kunnen niet terug praten, zelfs als ze het zouden willen. In de Tate wordt die muur geslecht: de spelers erkennen het bestaan van de bezoekers, kijken ze aan, lachen terug. Opeens staat een man op en begint tegen me te praten. Hij vertelt hoe gek hij het vond dat mensen elkaar in Londen niet groeten op de bushalte. „Toen ik hier was zei ik iedereen gedag en daar schrokken de mensen van. Ze deinsden terug.” De tekst van de man is ingestudeerd, maar het is niet zo dat hij zijn praatje afdraait en dan weer gaat zitten. Ik mag vragen stellen, ook iets vertellen. De andere uitvoerders zijn alweer opgestaan en naar de andere kant van de hal gelopen. Maar het is aan mij om het gesprek af te breken.

Een praatje maken tot kunst verheffen, dat is wat Sehgal doet in de Tate. In de Turbine Hall vinden de hele dag door zulke gesprekken plaats tussen bezoekers en uitvoerders, steeds anders, steeds hetzelfde. Sehgal deed eerder iets soortgelijks in onder meer het Guggenheim in New York en het ICA in Londen en het verbaast niet dat hij ermee doorgaat. Kunst zoekt altijd nieuwe grenzen om te doorbreken en Sehgal heeft zo’n grens gevonden. Ook over deze grens zijn misschien eerder al andere kunstenaars gegaan, maar in de Tate lijkt Tino Sehgal de eerste. Misschien staat hij aan het begin van een nieuwe traditie.