Je doet alles om normaal te blijven

Illegalen die weg moeten, komen in de gevangenis. De Ombudsman noemt dat inhumaan. De Iraniër Fariborz Panahi vertelt hoe het is in de cel.

Fariborz Panahi zat in vreemdelingenbewaring, maar heeft nu toch een verblijfsvergunning. Foto Maarten Hartman

Fariborz Panahi kreeg krap een jaar geleden te horen: ‘Pak je spullen, je kunt gaan.’ Hij pakte zijn weekendtas en liep naar buiten, naar de bushalte. De vrijheid tegemoet.

Vijf maanden en 24 dagen had hij vastgezeten in de vreemdelingenbewaring in Zeist. Vijf maanden en 24 dagen had hij het grootste deel van de dag op de kleine cel doorgebracht die hij deelde met een andere asielzoeker. Ook uit Iran, net als hij.

Deze week oordeelde de Nationale Ombudsman in een rapport dat de vreemdelingenbewaring in Nederland „inhumaan” is. Gemiddeld komen er jaarlijks zesduizend vreemdelingen terecht omdat ze het land moeten verlaten.

Ze weten niet hoe lang ze er moeten blijven. De duur kan oplopen tot achttien maanden. Soms worden vreemdelingen op straat gezet omdat het niet gelukt is om ze uit te zetten. De kans dat ze daarna opnieuw worden opgepakt is groot.

„Ik had het gevoel dat ik onterecht gestraft werd”, zegt Fariborz Panahi (41). „Dat vond ik heel moeilijk. Mijn misdaad was dat ik illegaal in Nederland verbleef.” Het was voor Panahi niet de eerste keer dat hij vastzat. Eerder zat hij 13 maanden in vreemdelingenbewaring.

Nu heeft hij een verblijfsvergunning. Waarom hij nu wel een verblijfsvergunning heeft en er eerst niet voor in aanmerking kwam, weet hij niet. Hij is er in elk geval ongelooflijk blij mee. Hij heeft een huurwoning gekregen in Wijk bij Duurstede die hij met grote aandacht opknapt. Eindelijk een plek voor zichzelf. „Er past nog iemand bij, maar die is er nog niet.” Hij lacht.

Fariborz Panahi is kunstenaar. In Iran schilderde hij en tekende cartoons. Hij vluchtte in 2000 naar Nederland. Hij had problemen in Iran, zegt hij. Hij zat daar twee jaar in de gevangenis. Hij hoopte op een vrij leven in Nederland.

Om heel eerlijk te zijn, zegt hij voorzichtig, waren de afgelopen twaalf jaar in Nederland ook niet echt een pretje. Als illegaal is het lastig om je te ontwikkelen, zegt hij. „Je bent constant bezig met overleven. In de vreemdelingengevangenis ben je alleen aan het wachten.”

Hij wil best vertellen hoe dat verblijf in de gevangenis eruit zag. Hij is snel klaar. Om elf uur ’s morgens bracht een bewaker een doos voedsel voor de komende 24 uur. Brood, boter, kaas, yoghurt. Een voorverpakte avondmaaltijd voor in de magnetron. Verder mocht hij twee keer per dag luchten. En twee keer per week mocht hij een uur bezoek ontvangen in de gemeenschappelijke ruimte. Meestal kwam er niemand.

Er was weinig vertier. Panahi vroeg verf. Hij kreeg papier en een paar potten vingerverf. Hij schilderde samen met zijn medegevangenen. „Je doet alles om normaal te blijven”, zegt hij. Hij heeft ook een keer met krijt een groot schilderij gemaakt op de tegels van de luchtplaats.

Antidepressiva werden uitgedeeld alsof het snoep was. Hijzelf kreeg ze ook. „De gevangenisdokter kon niet veel meer doen aan de klachten van de mensen. Hij probeerde ons te helpen.” Sommigen vroegen methadon, ook al waren ze niet verslaafd. „Dan waren ze in elk geval high.”

Nu hij eindelijk legaal is, heeft hij moeite de draad van een normaal bestaan op te pakken. De vele maanden in de cel spoken constant door zijn hoofd. Hij wil weer gaan schilderen maar vindt dat moeilijk. „Vrouwelijke figuren lukken niet meer. Ik hoop dat het terugkomt.”

Hij heeft contact met Iraniërs die hij in de gevangenis ontmoette. Een van hen, „een heel normale jongen”, zwerft nu zwaar verslaafd over straat. Dat wil hij pertinent niet. „Mijn leven is voorbij. Zo voelt dat. Maar ik kan me wel inzetten voor anderen. Zodat zij wat van hun leven kunnen maken.” Als vrijwilliger tolkt hij voor asielzoekers uit Iran.