Epke vloog

Turner Epke Zonderland won gisteren goud met een kunstje dat hij als enige ter wereld beheerst. Een medaille die altijd voor onmogelijk werd gehouden.

Epke Zonderland net na zijn landing in 2012. Mike Blake/Reuters

Fly Epke fly. Het spandoek met de aanmoediging was tijdens de olympische finale aan de rekstok een goedbedoelde, maar overbodige aanmoediging. Want Epke Zonderland zweefde gisteren hoog boven iedereen uit. Om te landen als olympisch kampioen. Als eerste individuele Nederlandse turner ooit. Maar dat besef drong in Londen nog niet helemaal tot de turner door. „Goud. Het is bizar.”

Wie gunde Zonderland de gouden medaille niet? De North Greenwich Arena was na Zonderlands landing even van Nederland. Het duurde even voordat de score oplichtte, maar eigenlijk kende niemand enige twijfel. Zonderland niet, zijn concurrenten niet – die kwamen hem al voor de juryuitslag feliciteren – zijn supporters al helemaal niet.

Zonderland had toch de drie vluchtelementen Cassina, Kovacs en Kolman gecombineerd? Nou dan. Hij is de enige turner ter wereld die dat kunstje beheerst. Bovendien was zijn landing perfect. Geen strafpunten wegens een hupje. Zonderland stond na zijn spectaculaire oefening als een huis. Wat kon er misgaan? Niets. Want ook de jury beloonde de rekspecialist met de hoogste score: 16.533 punten. Een persoonlijk record. En net iets meer dan nummer twee, de Duitse Fabian Hambüchen (16.400) en de Chinees Zou Kai (16.366), de onttroonde olympisch kampioen.

Epke Zonderland heeft historie geschreven. Ja, er is in 1928 bij de Olympische Spelen in Amsterdam bij de teamwedstrijd vrouwen ooit een gouden medaille door Nederland gewonnen. Maar dat mag geen naam hebben. Dat was van het niveau huisvrouwengymnastiek.

Deze gouden medaille telt echt. Want turnen is niet alleen een verduiveld moeilijke technische sport, het is ook sterk geëvolueerd en gemondialiseerd. Toegegeven, uit Afrika komen geen goede turners, maar uit de rest van de wereld wel degelijk. Maar sinds gisteren vooral even uit Heerenveen, de plaats waar Zonderland als turner groot werd. Daar werd zo’n vijftien jaar geleden de basis gelegd voor het olympische succes.

In de naoorlogse jaren werd de turnsport gedomineerd door de Oostbloklanden. De communistische regimes stopten veel geld en kennis in turnen, vooral ter meerdere eer en glorie van de heilstaat. In Nederland bestond geen topturnen. Er werd wat gefröbeld in kleine stoffige gymzalen. De turnbond bracht de sterkste turners en turners enige jaren bijeen op Papendal, maar dat leidde tot bescheiden successen. Olympisch goud? Dat leek onbereikbaar. Alleen toegankelijk voor turners van een andere planeet. Zo werd verondersteld.

Tot er in de jaren negentig clubs als Pro Patria in Zoetermeer, De Hazenkamp in Nijmegen, maar vooral WIK-FTC in Heerenveen een andere manier van denken invoerden. In Friesland werden vrouwen en mannen in één turnhal ondergebracht. De meest verstrekkende stap: er werd gekozen voor Nederlandse trainers met kennis van zaken. Weg met die Oostblokmethoden, waar de buitenlandse trainers zich van bedienden.

De volgende stap: verbetering van de begeleiding. In Heerenveen verschenen fysiotherapeuten, bewegingswetenschappers, krachttrainers, mentale begeleiders en tal van andere specialisten. Later volgden nieuwe trainingshallen en technologische ondersteuning. Wat nog ontbrak, was het uitzonderlijke talent, dat van die nieuwe omgeving moest profiteren.

Tot Epke Zonderland zich meldde. De kennersogen van Bertus Bult, Gerard Speerstra, Willem Veldman en Tjalling van den Berg, de mannen die het nieuwe turnen in Heerenveen vormgaven, hadden één blik nodig om zijn bijzondere kwaliteiten te herkennen. CIOS-docent en turnfreak Van den Berg riep in zijn enthousiasme in Zonderland een potentiële olympische kampioen te zien.

Maar Van den Berg wist vijftien jaar geleden ook dat de weg naar Olympus alleen met geduld, kennis, geld, rust en vertrouwen bewandeld wordt. En vooral met goede Nederlandse trainers, die zich in dienst van de turners wilden stellen. Het moest afgelopen zijn met de DDR-methoden die buitenlandse coaches toepasten en die veel te vaak tot geblesseerde Nederlandse turners leidden. Overbelasting werd een structurele plaag.

Niet langer in Heerenveen. Aan die conservatieve lijn dankt Zonderland zijn goede fysieke gesteldheid bij de Spelen in Londen. Zijn lichaam, vooral zijn schouders, zijn uitermate kwetsbaar. Maar al die jaren is de rekspecialist, die wordt bijgestaan door een team van tien specialisten, heel gebleven. En fitheid heeft een positieve uitwerking op de gemoedstoestand. Want Zonderland meldde gisteren met de gouden medaille om zijn hals door te gaan tot en met de Olympische Spelen van Rio de Janeiro.

Nu Nederland veel kennis heeft en de faciliteiten op topniveau heeft gebracht, blijkt het een olympisch kampioen te kunnen voortbrengen. Maar een gouden medaille geeft geen garanties voor olympisch succes in de toekomst. Het laatste stapje moet door de sporter zelf worden gezet. En daarin is Zonderland een lichtend voorbeeld. De turner besefte na de Spelen in Peking, waar hij na een val vijfde werd, dat met zijn aanpak een olympische medaille binnen bereik lag. Maar hij wist ook dat hij zich volledig aan zijn sport moest overgeven. Een olympische medaille vereist een scherp doel, dat met een flinke dosis egocentrisme moet worden nagestreefd.

Zonderland werkte de afgelopen jaren volgens een strak plan. Hij zocht een oefening met een hoge moeilijkheidsgraad, etste die in zijn systeem, liet zich mentaal en fysiek goed verzorgen en zorgde dat hij zo weinig mogelijk door de buitenwereld werd lastiggevallen.

Zo ongelovig als hij gisteren keek, was zijn prestatie ook weer niet. Daaraan ligt minimaal een decennium doordachte arbeid ten grondslag. Nu hij de haalbaarheid van het podium heeft bewezen, is er een weg gebaand voor nieuwe turners. Maar willen zij olympisch kampioen worden, dan zullen ze het talent, maar vooral de toewijding van Zonderland moeten kopiëren.

Pas dan staan zij ooit ergens ter wereld in een olympische turnhal met een brede grijns de Nederlandse pers te woord. En pas dan kunnen zij, net als Zonderland gisteren, zeggen: „Wat is dit supergaaf.”