De nieuwe Mart heet Herman

Kak, zegt de presentator van het journaal. Dat klinkt raar, zelfs als hij op zijn racefiets zit in plaats van achter dat tafeltje van de NOS. Ik wist niet dat journaallezers ook kak zeggen als ze een afslag missen. Blijkbaar zijn het ook maar mensen.

„Vaak denken mensen dat ze me ergens van kennen”, zegt Herman van der Zandt, „Maar ze weten vaak niet waarvan. Was ik niet de weerman? Speelde ik niet bij dezelfde tennisclub? Soms laat ik ze raden; vind ik wel grappig. Ik kom bij mensen in de huiskamer, maar ik val niet op. Niemand denkt na het journaal: ‘Wauw, wat een fan-tas-tische journaallezer was dat!”'

Herman heeft twee gezichten: zijn journaalgezicht en zijn eigen gezicht. „Als ik het journaal voorlees ben ik zo neutraal mogelijk; daarbuiten heb ik ook een mening en een leven. Al ben ik me er wel altijd van bewust dat ik voor de koninklijke NOS werk. Ik zet het vuilnis niet buiten in mijn onderbroek, ik stap niet half lam de snackbar in om een kipsaté te bestellen. Voor je het weet sta je op het internet met je zatte kop.”

Hij is in Londen om radio te maken, en tijdens de Paralympische Spelen presenteert hij een avondprogramma op tv. Hij noemt het uitstapjes. Het journaal voorlezen is gesneden koek („Zeker in de komkommertijd”), in de sport kan hij meer zichzelf zijn. Een beetje minder in de journaalmodus, een beetje meer Herman. Zo zat hij bijvoorbeeld ook bij De Wereld Draait Door aan tafel om de wieler-cd van de BikeWriters te promoten.

Eigenlijk had Herman van der Zandt helemaal geen journaallezer willen worden, maar wielrenner. „Tja. Het is het bekende verhaal van zoveel andere fietsende einddertigers: veel te laat begonnen. Ik vind wielrennen geweldig. De historie, de heroïek, de strijd tegen elkaar. Of je nu een echte koers rijdt of een fietstochtje met je vrienden: het loopt er altijd op uit dat je elkaar kapot probeert te rijden. Mooi toch?” Hij mist zelden een wielerkoers op tv. De Tour kijkt hij van start tot finish. „Zelfs als er geen zak aan is.”

Het liefst zou hij zijn benen scheren. „Maar dat krijg ik er thuis niet doorheen. Ik heb het een keer zogenaamd voor de grap tegen mijn vriendin gezegd, maar die riep meteen: ‘vergeet het maar’. Zonde wel. Ik mocht ooit mijn knie scheren toen die werd geopereerd. Dat vond ik geweldig.”

Herman heeft soms een beetje moeite met links fietsen. Vooral na een onoverzichtelijk kruispunt vergeet hij dat die rare Britten aan de verkeerde kant van de weg rijden. Het maakt hem niet uit: wielrennen is gas geven. Hij trekt op elk klimmetje zijn longen door zijn slokdarm naar buiten. Bij het straatnaambordje Cucumber Lane maken we foto’s alsof we een Alpencol hebben beklommen.

Een tijdje geleden kwam Mart Smeets naar hem toe. Hij prikte op Hermans borst. ‘Jij bent mijn opvolger’, zei Smeets. Herman wist niet wat hij moest terugzeggen. En eigenlijk weet hij dat nog steeds niet. „Er is nog geen enkele NOS-chef naar me toe gekomen om erover te praten. Ik zou het zelf geweldig vinden om zoiets als de Avondetappe of London Late Night te presenteren, maar ook verschrikkelijk moeilijk. Hoe moet je Mart opvolgen? Kán dat wel?”

Natuurlijk kan hij dat. Vooral omdat er binnen de NOS nog een pelotonnetje andere mensen is dat er hetzelfde over denkt. Ze zien hem als ‘de gedoodverfde opvolger’ – hij zit niet voor niets in Londen. Hij moet zich hier alvast een beetje warmlopen – dan is hij er straks klaar voor als de Martosaurus met pensioen gaat. Schrijf maar op:

De nieuwe Mart heet Herman.

NRC-sportredacteur Zonneveld ontmoet dagelijks (oud-)sporters en prominenten in Londen.