De 'gekke Javanen' van Suriname

Op 9 augustus 1890 arriveerden de eerste Javaanse contractarbeiders uit Nederlands-Indië in Suriname. Voor een beter leven, maar dat viel zwaar tegen. En terugkeren was moeilijk.

Iedere taxichauffeur in Jakarta aan wie ik vertel dat ik uit Nederland kom, kijkt in zijn achteruitkijkspiegel nog eens naar me. Met mijn donkere huid en bruine krullen zie ik er niet uit als de gemiddelde londo. Vaak raadt hij zelf hoe het zit. Komt mevrouw soms uit Suriname?

Alle Indonesiërs kennen Suriname, het land van mijn moeder. Alleen denken ze dat het een eiland voor de kust van Nederland is. En dat op dat eiland alleen Javanen wonen. De volgende vraag laat nooit lang op zich wachten: „Oh, maar dan spreek je dus Javaans?”

In Suriname wonen de Javaanse broeders, dus houden ze in Jakarta van Suriname. Op televisie worden elk jaar een stuk of wat programma’s over Suriname uitgezonden. Sommigen herinneren zich het bezoek van een Javaans-Surinaamse minister. Een bezoek dat voor enig gegniffel zorgde. Wat een grap, een minister die praat als een rijstboertje! Want het hoog-Javaans dat hoogwaardigheidsbekleders met elkaar spreken, is blijkbaar niet meegereisd met de vele Javaanse contractarbeiders die naar Suriname werden verscheept.

Op 9 augustus 1890 kwamen de eerste Javanen in Suriname aan. Arme boeren van het dichtbevolkte platteland van Java. De Nederlandse koloniale regering had hen geronseld om ze aan het werk te zetten op de plantages in Suriname, waar door de afschaffing van de slavernij gebrek aan mankracht was.

Tot 1939 zouden zo’n 30.000 Javanen de overtocht maken. Onder hen waren de ouders van de nu 69-jarige Sarmoedjie. Geboren in het Surinaamse rijstdistrict Nickerie en door toeval als enige van zijn gezin weer op Java beland. Maar de gepensioneerde kolonel uit het Indonesische leger is zijn geboorteland niet vergeten. Speciaal voor de gelegenheid spreekt hij Nederlands doorspekt met ‘taki taki’, zoals hij het Surinaams noemt.

In zijn huis in Jakarta vertelt hij hoe zijn ouders rond hun zeventiende jaar waren overgehaald om naar Suriname te vertrekken. In Suriname was het leven beter, zeiden de ronselaars. Alles zou worden betaald. Eenmaal aangekomen viel het ze vies tegen, zegt Sarmoedjie. „Het werk was heel zwaar en het was verplicht. Hier in Indonesië werkten ze lang niet zo hard.” Bovendien keken creolen en Hindoestanen, die al langer in Suriname woonden, op hen neer. Lau-lau Japanesi, werden ze genoemd. Gekke Javanen.

Na vijf jaar contractarbeid zou Nederland de terugreis betalen. Zo’n 7.500 arbeiders besloten dat ze wilden terugkeren. Maar de werkelijkheid was anders, zegt Sarmoedjie. Gezinnen die terug wilden, moesten eindeloos wachten op een plek op de boot. Wie zich daarentegen permanent in Suriname vestigde, kreeg een premie van 100 Surinaamse gulden. Veel Javanen voelden zich gedwongen om dat aanbod te accepteren; Sarmoedjie vermoedt dat het zo ook met zijn ouders is gegaan.

Maar de heimwee bleef knagen. Dus toen Indonesië in 1949 onafhankelijk werd, maakten vele Javanen zich op voor een terugkeer. Sarmoedjie ging in 1954 mee op de eerste boot, de Langkoeas, samen met zijn pleegvader; als achtste van tien kinderen was hij weggegeven aan een kinderloos echtpaar, zoals nog altijd vaak gebeurt op Java. Zijn echte ouders en broers en zussen, met wie hij nauw contact had, zouden op de volgende boot stappen.

Terwijl de toen 11-jarige Sarmoedjie genoot van de lange reis, wist hij nog niet dat die volgende boot er nooit zou komen. Door het conflict van Nederland en Indonesië over Nieuw-Guinea en door een gebrek aan financiële middelen is de verwachte massale terugkeer er nooit van gekomen, weet hij nu. De ruim duizend passagiers van de Langkoeas zouden de enige officiële remigranten blijven.

Bovendien kregen bijna alle repatrianten spijt van hun terugkeer. Ook Sarmoedjies pleegvader. De regering van Soekarno wilde hun op het dichtbevolkte Java geen grond geven. Ze kwamen terecht in het dorp Tongar op Sumatra, tussen de Minangkabau, met een volslagen andere cultuur. Sarmoedjie herinnert zich hoe zijn pleegvader in Suriname een houten huis en tientallen geiten had. Hun huisje in Tongar was van bamboe. Voor de velden waar ze groente zouden verbouwen moesten de Surinaamse Javanen zelf het bos omkappen.

Nog altijd wonen in Tongar enkele tientallen Surinaamse Javanen en hun nazaten. Anderen, zoals Sarmoedjie, zijn over de archipel verspreid. Door hard te werken wist Sarmoedjie op te klimmen tot kolonel. Hij heeft het gemaakt, vindt hij. Voor zijn drie kinderen heeft hij huizen kunnen kopen. „Nu denk ik: gelukkig ben ik teruggegaan. Anders was ik misschien nog een boer in Nickerie.”

Twee jaar geleden bezocht Sarmoedjie voor het eerst weer zijn geboorteland en werd hij herenigd met zijn broers en zussen. Een Indonesische televisieploeg legde de ‘thuiskomst’ vast. Een halfjaar later vierde Sarmoedjie zijn 68-jarige verjaardag in Paramaribo. Hij laat een dvd zien van hoe hij feestte, te midden van stoere neefjes en schaars geklede nichtjes. „Er werd gedanst en cabaret gespeeld tot en met bam”, geniet hij nog na. En dat terwijl Javanen op feestjes niet dansen.

Het was niet het enige verschil tussen Sarmoedjie en zijn Surinaamse familie. Aanvankelijk schrok hij van de onbeleefdheid van zijn jonge familieleden. Ze raakten zomaar zijn hoofd aan. Begonnen met eten zonder te wachten tot de ouderen klaar waren. En ze praatten zo hard. „Dat komt misschien door hun omgeving, want de negers hebben een heel harde stem.”

Sarmoedjie heeft Suriname inmiddels weer omarmd. In oktober hoopt hij het weer te bezoeken, dit keer met een handelsmissie. Hij hij een grote doos dodol tevoorschijn: plakkerig snoep gemaakt van kokosmelk en rijstebloem. Voor de export naar Suriname. En dat is nog maar het begin. Hij ziet ook een markt voor leren jassen, schoenen, kunstmest, batik en zonnecellen.

Bovendien hebben ze in Suriname mankracht nodig, zegt hij, want het land heeft veel te weinig inwoners. „Ik wil er mensen naartoe brengen om op de palmolieplantages te werken.” Tijdelijke contracten van een paar jaar. Al mogen de werklui natuurlijk ook blijven, als ze dat willen.

Elske Schouten