Als één iemand schiet, zijn wij dan schuldig?

Bij een nachtpremière van de Batmanfilm kwamen twaalf mensen om. De schutter staat voor de rechter, maar wat zegt het over ons? Dragen wij als gemeenschap verantwoordelijkheid voor die schietpartij?

Ze zegt het ergens aan het einde van de nieuwe Batmanfilm The Dark Knight Rises, de Franse actrice Marion Cotillard: ‘Innocence seems too strong a word for the people of Gotham’.

Voor de niet-geïnitieerden: Gotham City is de denkbeeldige metropool waar de meeste Batmanverhalen zich afspelen. Het is een stedelijke agglomeratie met, afhankelijk van welk deel van de trilogie je kijkt, een populatie tussen de twaalf en dertig miljoen mensen, die qua architectuur, cultuur en bevolkingsopbouw sterk op steden als New York, Pittsburgh en Chicago lijkt. En net als die steden heeft Gotham problemen met georganiseerde misdaad. Batman is de held – een duistere held, met zijn eigen demonen – die de stad vooral ’s nachts van dit gespuis probeert te verlossen. Hij doet dit om de onschuldige inwoners van zijn stad te beschermen.

Maar dit is dus één van de vragen die in de laatste Batmanfilm wordt gesteld: hoe onschuldig zijn de inwoners van Gotham met betrekking tot het onheil dat gebeurt? De scenarioschrijvers benutten de mogelijkheden die deze vraagstelling biedt helaas te weinig. Antagonist Bane wil de decadentie van Gotham tonen en bestraffen, maar zijn kruistocht gaat verloren in een weinig verheffend, rommelig scenario vol afleidende terzijdes en kleine, storende slordigheden. Dat deed het vorige deel, The Dark Knight, veel beter, de stuwende kracht vormgeven en vasthouden, vooral door het legendarische, ontregelende en rijke Joker-personage van Heath Ledger. Wat gebeurt er, als je de regels wegneemt? Hoe sterk is chaos? En hoe slecht of goed zijn de inwoners van Gotham in die ontregelde wereld?

Bij een nachtpremière van The Dark Knight Rises in Aurora, drie weken geleden, kwam een vierentwintigjarige schutter met geverfd haar de bioscoopzaal binnen. Hij wierp gasbommen, ging voor het bioscoopscherm staan en opende het vuur. Twaalf mensen kwamen om het leven, achtenvijftig raakten gewond.

De daad is verwerpelijk. Geen mens heeft het recht een ander mens het leven te ontnemen, zelfs de staat niet, tenzij het wellicht om zelfverdediging gaat, en dat was hier overduidelijk niet het geval.

De slachtoffers worden in dergelijke gevallen steevast onschuldig genoemd en de blanke daders psychopaten (Afro-Amerikanen zijn criminelen, Arabieren terroristen en blanke mannen dus psychopaten). De vraag is: is de lijn wel zo duidelijk te trekken? Natuurlijk zijn de slachtoffers van Aurora en Utøya afzonderlijk allemaal onschuldig: ze hebben de schutters geen persoonlijk kwaad gedaan. In Utøya waren veel slachtoffers zelfs onschuldig te noemen in die andere zin van het woord: het waren kinderen, zonder al te veel besef van goed en kwaad.

Maar de Cotillard-vraag is deze: als we de slachtoffers als onderdeel van een gemeenschap zien, een gemeenschap met verantwoordelijkheden naar elkaar toe, zijn ze dan ook nog onschuldig? Laat ik het behoedzamer formuleren: is de gemeenschap onschuldig? Het leven is uiteraard niet in een schuldvraag te vatten, maar soms is het behulpzaam naar oorzaken en gevolgen te kijken, in de hoop herhalingen in de toekomst te voorkomen.

De gemeenschap die geen duidelijk stopbord bij een kruising zet is, net als de chauffeur die – nuchter en uitgeslapen – vergeet genoeg af te remmen, niet wijs bezig. Vertaald naar de schietpartijen in Utøya, Alphen aan den Rijn en Aurora zou de vraag zijn: wat is de verantwoordelijkheid van de gemeenschap bij dergelijke community shootings? Waar zijn eventuele stopborden te plaatsen? Het is natuurlijk makkelijker alle handen in onschuld te wassen (‘ik stopte daar zelf wel, ook zonder bord’) en die ene dader als gek (dus: onhelpbaar, onbereikbaar, onveranderlijk) te betitelen, maar blijkbaar werkt dit niet altijd even goed.

In de laatste jaren verschenen er veel boeken die zich met het fenomeen van de lone shooter bezighouden. Ik pik er twee uit: We need to talk about Kevin, de onlangs verfilmde roman van de Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver, en Wij zijn maar wij zijn niet geschift van Tim Krabbé, een reconstructie van de schietpartij in Columbine, dertien jaar geleden.

Denken is de wereld in woorden verpakken waardoor je hoopt deze te begrijpen. De aanpak van Shriver en Krabbé is diametraal: Shriver schreef een brievenroman, waarin ze een fictieve moordpartij – zoon Kevin vermoordt vlak voor zijn zestiende verjaardag negen mensen op zijn school – en de aanloop daartoe beschrijft en probeert te begrijpen.

Het is lastig en onrechtvaardig een boek van meer dan 450 bladzijden in enkele zinnen te vangen, maar voor deze lezer was de slotsom van het boek als volgt: in het nature versus nurture-debat ligt de oorzaak bij de natuur: Kevin is een incarnatie van het onbegrijpelijke en ongrijpbare kwaad en tegen die kracht is niet te vechten. Natuurlijk helpt het niet dat de verteller van het verhaal, de moeder – en dit geeft ze zelfs toe – haar zoon niet mocht, maar goed: wie mag de duivel wel? En: haar gedrag is dus niet eens de spreekwoordelijke druppel te noemen. Zo legt de roman uit waarom de fictieve high school killing plaatsvond: het was een natuurkracht waar het juiste, volwassen denken niet bij kan. (De hoofdpersoon Kevin veroordeelt een achttienjarige copy cat met de volgende woorden: ‘He was eighteen. Don’t you think he was a little old for it?’)

Tim Krabbé kiest in zijn boek Wij zijn maar wij zijn niet geschift een andere weg. Hij neemt de historische gegevens van de schietpartij bij Columbine – de schrijver ploegde zich een weg door meer dan duizenden pagina’s aan politierapporten, honderden websites en tientallen boeken en artikelen – en bekijkt alles nogmaals, van alle kanten. Het eerste hoofdstuk is een kort verhaal van een bladzijde of dertig, een reconstructie van de schietpartij. De rest van het boek besteedt Krabbé aan het uitleggen van de keuzes die hij in dit verhaal maakte en het onderzoeken van de context waarin het verhaal plaatsvond. Hij schoffelt hierbij enkele aannames omver die, om in de metafoor te blijven, aantonen dat onze stopborden niet altijd even duidelijk zijn of goed werken. De titel geeft Krabbé’s uiteindelijke conclusie al prijs: de twee moordenaars van Columbine waren niet geschift. Dat wil zeggen: ze vertonen natuurlijk wel gestoord gedrag, maar het is te makkelijk om daarmee alles wat zij deden als verklaard te zien. Ze waren ook onderdeel van een gemeenschap die faalde.

Wat de laatste Batmanfilm minder geslaagd maakt dan de vorige twee is een gebrek aan gelaagdheid van de personages en in het scenario. Het is om dezelfde reden dat Krabbé’s boek beter werkt dan dat van Shriver: het toont een amalgaam van redenen, aanleidingen en oorzaken, laat zien hoe gefragmenteerd en ingewikkeld alles is. Het weigert voor het typetje als ultieme definitie te gaan, en om de schuld en onschuld te simpel te verdelen. Niet voor de nuancering die alles doodslaat, maar juist die, die de wereld tot leven brengt en waardoor je hem beter gaat begrijpen (een typische Krabbé-terzijde zou zijn: je kunt als gemeenschap nog zo duidelijk een stopbord neerzetten, je hebt natuurlijk ook types op wie welk gebodsbord dan ook werkt als een rode lap op een stier en die denken: flikker op met je stopbord).

De (on)schuldvraag is een ingewikkelde, maar als een gemeenschap collectieve verantwoordelijkheid draagt, kan het niet anders zijn dan dat die verantwoordelijkheid eenieder in die gemeenschap uiteindelijk ook individueel treft. De juiste woorden moeten dus tot de juiste verantwoordelijkheden leiden. En als The Dark Knight Rises en het drama van Aurora één ding duidelijk maken, dan is het dat het te simpel is te stellen dat de verantwoordelijkheden voor de (on)schuld van de gemeenschap bij een Batman of bad man beginnen en eindigen.