Zomerlezen

Richard Dawkins: De zelfzuchtige genen. Olympus, 1976, 468 blz. Antiquarisch verkrijgbaar.

Waarom riep het boek De Zelfzuchtige Genen van Richard Dawkins 35 jaar geleden zoveel weerstand op? Dawkins trok de ultieme consequentie uit de toen nieuwe kennis over erfelijkheid en evolutie: het erfelijk materiaal, georganiseerd in genen, gaat zijn eigen gang, gericht op zijn eigen voortbestaan. Ook als een mens of een dier iets voor een ander over heeft, is dat eigenlijk gericht op de overleving van de eigen genen, of die van zijn familieleden die immers deels dezelfde genen hebben. Het is het proces van natuurlijke selectie, de basis van de evolutie, waarin de best aangepaste genen overleven.

Wat Dawkins niet bedoelde, en wat zijn publiek vaak wel dacht, was dat genen intentioneel zelfzuchtig zijn. Als levenloos object hebben zij uiteraard geen bedoeling of wil. Bovendien geldt de zelfzuchtigheid vanuit het perspectief van het gen, en niet vanuit het perspectief van het dier. Al te vaak is uit Dawkins boek geconcludeerd dat het voor dieren en ook voor mensen alleen maar ieder voor zich zou zijn.

Dawkins, die graag provoceert, drukte dat idee niet al te snel de kop in. Hij vond het wel leuk dat christenen aanstoot namen aan zijn „immorele ideeën”. In zijn latere boeken profileert Dawkins zich als rabiate atheïst. Maar het is niet Dawkins die immoreel is, het is de natuur.

Sander Voormolen