Rust in je kop, daar gaat het om

Er zit een olympisch kampioen op een bankje in het Olympic Park, maar toch klopt er ergens iets niet. Een paar Nederlandse fans kijken vanuit hun ooghoeken naar Mark Tuitert; er hangen vraagtekens boven hun hoofd. Een schaatser op de Zomerspelen – het is net een pinguïn in de woestijn.

Tuitert vindt het zelf aan de ene kant ook een beetje raar, die Zomerspelen. Hij verbaast zich over de mensenmassa’s en de afmetingen van het Olympic Park. Maar aan de andere kant zijn de Zomerspelen precies hetzelfde als de Winterspelen. „Er hangt dezelfde sfeer. Hier moet het gebeuren. Je mag niet falen, want de volgende kans is niet volgende week of volgend jaar. Iedereen wil hier goud. Vooruit, soms is een medaille ook nog netjes, maar de rest maakt geen reet uit. Vijfde of zesde is niks – je kunt net zo goed dertigste worden.”

Hij kent het gevoel. In Vancouver (2010) werd hij vijfde op de 1.000 meter, ploeggenoot Stefan Groothuis werd vierde. „Daar waren we ziek van. In de kleedkamer smeten we met bidons en trokken we een klok van de muur – daarna was het stil. Minutenlang. Niemand durfde iets te zeggen.”

„Soms”, mijmert hij, „is dat geloof in jezelf compleet belachelijk. Maar dat hoort bij topsport. Wie realistisch is kan van tevoren al inpakken. Je moet in iets onmogelijks kunnen geloven. Je moet jezelf voor de gek kunnen houden. Ik kan dat goed, soms zelfs een beetje té goed. In 2001 zei ik dat ik iedereen kapot ging rijden toen ik de ziekte van Pfeiffer had en geen deuk in een pakje boter schaatste. Dat sloeg écht nergens op. Als jezelf-voor-de-gek-houden olympisch was, dan had ik toen zeker goud gewonnen.” In plaats daarvan won hij in 2010 olympisch goud op de 1.500 meter. Ook leuk.

Het begint te regenen. Eerst zachtjes, daarna steeds harder. Als het hoost trekt Tuitert zijn capuchon over zijn hoofd. Zijn vrouw Helen graait een oranje poncho uit haar tas. „We zien nie van suuker!”, roept Tuitert in plat dialect.

Naar eigen zeggen is hij „een lompe boer uit Holten”, maar wel eentje die over dingen nadenkt. „Ik heb mezelf leren kennen. Ik weet wat ik moet doen om hard te schaatsen. Rust in je kop, daar gaat het om. Ik heb in mijn carrière heel veel energie verloren aan te veel emotionele belasting. De scheiding van mijn ouders, tegenslagen op schaatsgebied, het loslaten van het allrounden – al die dingen raken je in je ziel. Te veel emoties maken je kansloos. Zeker in een olympisch jaar loopt de emmer snel over en dus moet je zorgen dat je thuissituatie zo rustig mogelijk is. Verhuizen? Een kind krijgen? Niet in een olympisch jaar.”

Als je wilt winnen, dan moet je keuzes maken – ten koste van alles. Zijn vrouw zegt wel eens voor de grap: „Eerst komt Mark z’n rechterschaats, dan z’n linkerschaats, dan z’n schaatspak – en dan kom ik.”

Maar dat geldt ook voor vrienden. Tuitert besloot een paar maanden geleden te vertrekken bij zijn ploeg én bij zijn coach Jac Orie. Die nam dat hem bepaald niet in dank af. Tuitert zucht: „We hebben vorig jaar samen gezocht naar een nieuwe sponsor voor de ploeg. Dat is niet gelukt. Ik heb lang getwijfeld, maar uiteindelijk ben ik toch vertrokken. Ik kies voor mezelf; ik heb nog een paar jaar als topsporter, ik wil naar Sotsji [Spelen 2014] zonder ballast.”

Hij grimast. „Het doet pijn om te vertrekken. Ik heb zoveel met Jac meegemaakt, we kennen elkaar door en door. Nu zijn we in één keer geen gezworen kameraden meer op het ijs, eerder vijanden. Dat is het rare van topsport. Je kunt vriendjes zijn, maar uiteindelijk moet je elkaar verslaan.

Er was een moment, op de dag na de gouden 1.500 meter van Vancouver, dat Tuitert overwoog om te stoppen met schaatsen. „Het spookte even door mijn hoofd. Maar ik vind hard schaatsen veel te mooi en ik wil het trucje van Vancouver heel graag herhalen. Of ik dat kan? Natúúrlijk kan ik dat.” Geen spoortje twijfel in zijn stem. Mark Tuitert houdt zichzelf weer voor de gek.

En zo hoort het ook.

NRC-sportredacteur Zonneveld ontmoet dagelijks (oud-)sporters en prominenten in Londen.