Column

Premier

Dichtbij mijn hotel in het centrum van Stockholm was Olof Palme vermoord, inmiddels alweer 26 jaar geleden. Ik ging op zoek naar de gedenkplaquette, die zich in deze buurt moest bevinden.

Palme was een beroemd man, als premier van Zweden vanwege zijn linkse denkbeelden ook buiten zijn land even gerespecteerd als omstreden. Je mocht verwachten dat de Zweden voor hem een monument hadden opgericht dat onmiddellijk de aandacht trok. Tot mijn verbazing moest ik een minuut of tien met diep gebogen hoofd het trottoir afzoeken, als een snuffelhond op zoek naar narcotica. Toch was het hier gebeurd: op de hoek van Sveavägen, een drukke verkeersweg, en Tunnelgatan, bij de ingang van de metro. Even verderop is ook een straat naar Palme vernoemd.

Hier liep Palme op 28 februari 1986 tegen middernacht met zijn vrouw Lisbet, nadat ze de bioscoop Grand aan Sveavägen hadden bezocht. Die bioscoop is er nog steeds, er draaide nu de documentaire over Woody Allen. Palme stak Sveavägen over even voorbij de Adolf Fredrikskerk (waar hij sindsdien begraven ligt) en naderde de ingang van de metro toen hij van achteren werd neergeschoten door een man. De dader kon snel ontkomen via de hoge trappen aan het einde van de straat. De moord is nooit opgehelderd. Er was een verdachte, maar die werd na een veroordeling in hoger beroep vrijgesproken.

Vlakbij de plek des onheils werd nu druk gewerkt aan nieuwbouw. Even voorbij de omheining vond ik op de grond eindelijk Palmes plaquette, een modderkleurige plaat met alleen zijn naam, zijn functie (‘Sveriges statsminister’) en de datum van de moord. De putdeksels eromheen waren opvallender dan deze gedenkplaat.

Ik liep door naar het kerkhof bij de fraaie Adolf Fredrikskerk, waar hij heel wat opvallender begraven ligt onder een grote, rechtopstaande steen. Toch nog ere wie ere toekwam.

Palme was ’s avonds zonder bodyguards uitgegaan, als het even kon vermeed hij beveiliging. Zou een premier, van welk land dan ook, dat nog steeds kunnen?

Het leek me ondenkbaar – tot ik afgelopen zondagmiddag omstreeks half een het terras van restaurant Zouthaven, beter bekend als ‘het terras bij het Bimhuis’, aan ’t IJ in Amsterdam betrad. Het lag er goeddeels verlaten bij, ook al was het zonnig. Aan de rand van het terras zat een man, licht voorover gebogen, te bellen. Hij was in het gezelschap van een rossige vrouw van in de vijftig. De man droeg een blauwe spijkerbroek, een lichtblauwe bloes en blauwe, hoge gymschoenen. Hij sprak vrij luid en duidelijk met uitroepen als „Ja, natuurlijk!” Alleen al aan die stem was hij onmiddellijk te herkennen: premier Rutte.

Toen hij uitgebeld was, hervatte hij zijn lunch, ontspannen pratend met de vrouw. Hij ontvouwde een plattegrond en vroeg de ober bijzonderheden over de ligging van het Bimhuis. Hij kreeg een glaasje melk en riep naar de weggelopen ober: „De honing!”

Af en toe kwamen er toeristen voorbij die hem niet herkenden. Ik zocht in het lege restaurant en de omgeving naar bodyguards: niemand te bekennen. Ikzelf had er een kunnen zijn, schijnbaar achteloos met mijn vrouw pratend, twee tafeltjes verderop. Maar ik was het niet, en ik heb er ook geen aanleg voor. Een premier die zich in zijn vrije tijd zo frank en vrij door zijn land durft te bewegen – dat heeft wel wat. Als ik niet toevallig net in Stockholm was geweest, had ik er misschien minder lang bij stilgestaan.