Nooit meer zwaaien naar Tante Hannie

Tv-series uit de jeugdjaren laten sterke herinneringen na. In deze serie op dinsdag kijken redacteuren terug. Raymond van den Boogaard kreeg al jong een hekel aan samen tv-kijken.

Dappere Dodo, hoofdrolspeler van de gelijknamige KRO-jeugdserie.

De jongere generaties, zegt men, kijken steeds minder televisie. Dat verheugt mij enorm. „Voor de buis zitten”, zoals dat in mijn kindertijd heette, was – in het woord van de cabaretier Wim Kan – „wachten tot het leuker werd”. Hele gezinnen vielen daaraan ten prooi, in de jaren zestig.

Dat ik zelf als kind (lichting 1951) echter een afkeer had van televisie, en het kijken in gezinsverband voor eeuwig heb afgezworen, is het resultaat van de eerste televisie-uitzending die ik heb gezien – naar ik schat in 1955 of 1956, toen ik vier of vijf was. Ik weet wel dat het onderwerp van deze serie artikelen eigenlijk het ‘leukste tv-programma uit je kindertijd’ is. Ik moet mij verontschuldigen: mijn herinnering heeft betrekking op vrijwel het enige kinderprogramma dat ik heb gezien. Het was meteen genoeg.

Voor goed begrip: we hadden thuis helemaal geen tv. Niet omdat mijn ouders intellectuelen waren – intellectuelen hadden destijds nog vaak ideologische bezwaren tegen het medium. Nee, het was gewoon dat een televisietoestel als luxe werd beschouwd, en mijn ouders er het geld niet voor over hadden.

Wij hadden thuis gewoon een radio. Daar luisterden we naar, en we keken er trouwens ook naar. Op foto’s van gezinnen uit de jaren vijftig kun je dat nog zien: dat een echtpaar met hun kinderen om de radio-ontvanger zit geschaard en dat ze dan naar het toestel kijken. Staren in de richting van geluid is kennelijk eigen aan zoogdieren, want mijn kat doet dat ook, als ik tegen hem praat.

Dat ik als kind toch een keer televisie heb gekeken, kwam doordat ik af en toe thuis bij vriendjes van school ging spelen. Ook in die huizen hadden ze meestal geen televisie. Er was overdag sowieso geen televisie. Die begon pas om kwart voor acht ’s avonds met het testbeeld.

Bij mijn vriendje Rendolf Z. hadden ze wél televisie, want daar waren ze gefortuneerd. De familie Z. woonde in een kast van een villa aan een van de vijvers van het Amsterdamse Vondelpark.

Rendolf bezat beduidend meer speelgoed dan ik – uitgedrukt in autootjes van de merken Matchbox en Dinkey Toys die onze voorkeur hadden. Hij had trouwens ook broertjes en zusjes – ik was enig kind. Bovendien waren er in het gigantische huis op woensdagmiddag, als er geen school was, ook altijd neven en nichtjes.

Op één zo’n woensdagmiddag, even voor vijf uur, werd de hele menigte de ruime woonkamer ingedreven, waar het televisietoestel stond. De gordijnen gingen een beetje dicht, in de buurt van het toestel werd een zogenaamd ‘tv-lampje’ ontstoken – dat heette goed voor de ogen te zijn. Het zwart-wit-grijze testbeeld was al te zien, de kinderen verzonken in devoot zwijgen.

Eerst verscheen er langdurig een wapperende vlag in beeld – achteraf heb ik begrepen dat dit de KRO-vlag moest zijn. Daarna kwam er een koddig kijkende dame die zich ‘Tante Hannie’ noemde, de omroepster. Zij noemde ons ‘kijkbuiskinderen’.

Van het eigenlijke programma staat mij minder de inhoud dan de naam in het geheugen: Dappere Dodo. Het was een poppenkast, maar lang niet zo spannend als die op de Dam, waar altijd hetzelfde stuk gespeeld werd, De dood van Pierlala geheten, met Jan Klaassen en Katrijn.

Maar de grootste ontgoocheling kwam aan het eind, toen Tante Hannie weer in beeld kwam. Ten afscheid zwaaide ze naar ons, en riep de kijkbuiskinderen op om terug te zwaaien. Tot mijn verbazing zwaaiden de andere kinderen in de kamer inderdaad terug. Zoiets was bij radio moeilijk voorstelbaar, omdat zelfs de grootste stommeling wel kan nagaan dat je elkaar niet kunt zien. Ik zag maar één mogelijke conclusie: televisie is voor debielen.

Fysieke interactie met het scherm was in die tijd niet ongewoon. Kort daarna kregen mijn grootouders televisie. Mijn grootvader, die de sociaal-democratische beginselen was toegedaan, placht wegwuivende gebaren te maken wanneer hem onwelgevallige politici het scherm vulden, en dat was betrekkelijk vaak. Helpen deed het niet, en mijn grootvader bleef ook stug doorkijken, totdat na tien uur deze of gene dagsluiter – dominee, pater of sociaal-democraat – aan de televisieavond een eind maakte.

Enkele jaren na mijn kennismaking met Dappere Dodo kregen we thuis ook zelf televisie: mijn moeder wilde graag de reportage van het huwelijk van de Belgische koning Boudewijn met Fabiola zien, en mijn vader wist de avond ervoor een tweedehands toestel op de kop te tikken. Al spoedig speelde de televisie een grote rol in het leven van mijn ouders, en zaten ze avond aan avond voor de buis, wachtend tot het leuker werd. Bijna iedereen deed dat, zag ik als ik met mijn fiets langs de rijtjeshuizen van onze buurt ging. Achter de open gordijnen zag je gezinnen staren naar de buis, die ook nog eens overal op dezelfde plaats stond. Vooral zolang er nog maar één televisienet was, kon ik op de fiets het programma aardig volgen.

Sinds Dappere Dodo ben ik voor het medium televisie grotendeels verloren geweest. Voor nostalgie over Pipo de Clown of Toppop of de begindagen van Koot en Bie moet je niet bij mij zijn, want dat heb ik allemaal niet gezien. Ook Zomergasten moet het zonder mij doen – drie uur moeten wachten of het leuker wordt, houd ik niet vol. Ik kocht mijn eerste tv in 1987, toen er al kabel bestond en het medium door de toegenomen keuzemogelijkheden iets van zijn dwingende karakter had verloren.

Nog altijd boezemt gezamenlijk tv-kijken mij diepe weerzin in. Bij mij thuis hebben mijn vriendin en ik ieder onze eigen satellietontvanger, zodat we geheel onafhankelijk van elkaar onze keus kunnen maken uit honderden zenders. Afgezien van nieuws kijk ik bijna alleen naar zenders die in Nederland niet erg bekend zijn, zoals 3Sat, Arte Frans, Rossija 1 of Film Four. Alles beter dan de volgende dag op m’n werk een gesprek moeten voeren over de televisie van de vorige avond. Ik wil de kans dat ik nog eens naar het scherm moet zwaaien, zo klein mogelijk houden.

Dit is de zesde aflevering van een wekelijkse zomerserie.