'Mijn hart is altijd dicht bij je'

Duitsland is in de ban van Frederik de Grote. Reinildis van Ditzhuyzen belicht een minder bekende karaktertrek van de vorst: zijn vermogen om te troosten. Dat blijkt uit brieven in Den Haag aan zijn petekind, Wilhelmina Prinses van Oranje.

Heel Duitsland is in de ban van Frederik de Grote, koning van Pruisen, die 300 jaar geleden werd geboren. Rond ‘der alte Fritz’ wordt van alles georganiseerd: concerten, lezingen, en natuurlijk tentoonstellingen. In het Berlijnse Musikinstrumenten-Museum zag ik ’s konings liefde voor de opera verbeeld, het Deutsches Historisches Museum toonde mij zijn imago, en in de expositie ‘Friederisiko’ in het Neue Palais in Potsdam kwam ik de koning nader via een ‘ontdekkingsreis’ door zeventig zalen.

Op allerlei manieren wordt de bewonderde koning tot leven gewekt. Maar in het Koninklijk Huisarchief in Den Haag ligt het bewijs van een minder belichte, aangename karaktertrek van de vorst: zijn vermogen om te troosten. Hier worden twee Franstalige troostbrieven bewaard die de koning schreef aan zijn nichtje en petekind Wilhelmina van Pruisen, vrouw van stadhouder Willem V. Met haar had Frederik, die zijn eigen vrouw zo min mogelijk wilde zien en kinderloos bleef, een bijzondere band. Dat blijkt uit deze brieven, die door de vrouwenarts Frits Lammes zijn gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.

Wat was er gebeurd? Op 23 maart 1769 beviel de 17-jarige prinses Wilhelmina van haar eerste kind, een doodgeboren zoon. Vanuit het kraambed berichtte ze haar oom over de smartelijke gebeurtenis. Deze reageerde snel en meelevend. „Wat nu toch, mijn lieve kind?” schreef hij op 31 maart. „Denk je aan míj, vlak voordat je leven vreselijk gevaar liep? En stuur je me iets wat je zelf hebt gemaakt? [Een handwerkje, red.] Dat zal, mijn lieve kind, zo lang ik leef mijn huis niet verlaten, want het is het werk van je eigen handen en omdat ik het bij zulk een ernstige gebeurtenis heb gekregen, ben ik je er extra dankbaar voor. Ik heb gehuiverd toen ik hoorde van het gevaar waarin je zwangerschap je heeft gebracht en ik ben de hemel dankbaar dat je voor ons behouden bent gebleven. Moge de hemel mij mijn adoptief kind bewaren, van wie ik meer houd dan was ik haar eigen vader. Mijn hart is altijd dicht bij je en ik zal niet ophouden van je te houden dan wanneer ik ophoud met leven.”

Op 16 april schreef hij een tweede brief, wederom niet als machtige, militante heerser, maar heel persoonlijk, als een geroerde oom. Frederiks wijsgerige inslag komt hier tot uiting. Volgens hem moeten we niet denken dat alles wat we willen ook gebeurt: „Ik, die in deze wereld oud geworden ben, heb er meer moeilijkheden en ontberingen gevonden dan genoegens. Toch moeten we ons neerleggen bij de zaken die we niet kunnen veranderen, en jij hebt door je uitmuntende karakter zoveel verstand dat ik er niet aan twijfel of je buigt niet onder een noodlot dat het hele universum beheerst.” Over goddelijke voorzienigheid spreekt hij niet en dat is te verwachten van deze koning die de ideeën van de Verlichting koesterde en bekend stond als de ‘Filosoof van Sanssouci’.

De Prinses van Oranje zal blij zijn geweest met Frederiks liefdevolle belangstelling. Ruim een jaar later brengt zij een dochter, Louise, ter wereld, en in 1774 wordt ten slotte de zo gewenste mannelijke erfgenaam geboren, onze latere koning Willem I.